Stripgeschiedenis

Strips voor 1850

Brief uit 1493 van de graaf van Meurs aan de hertog van Gelre

Brief uit 1493 (Klik op het plaatje om de grote versie te bekijken) Dit plaatje is wellicht de oudste ballonstrip ter wereld, of in elk geval van Nederland. Het is een brief uit 1493 van de graaf van Meurs aan de hertog van Gelre, waarin hij zich beklaagt over niet nagekomen beloften van de hertog. De graaf had namelijk de plaats van de hertog als gijzelaar ingenomen nadat die door de Fransen krijgsgevangen was gemaakt. Waarschijnlijk was de hertog wat laat met het betalen van het losgeld. Het document bevindt zich in het gemeentearchief van Zutphen. (oud archief, nr.2386)

De beroemde dichter en geleerde Willem Bilderdijk (1756 - 1831) vervaardigde in 1807 voor zijn toen negenjarige zoontje Julius Willem een uit acht bladen bestaand prentenboek. Dit werkje, dat uitsluitend voor huiselijk gebruik bedoeld was, vertelde de avonturen van het jongetje Hanepoot, en had een sterk 'strip' karakter. Het is voor het eerst integraal gepubliceerd in 1977.

Bilderdijk
"Hanepoot, de slimme guit Blaast de kaarsen aan en uit"
"Hier, zijn schranderheid ten blijk, Roost hij vleesch en brood gelijk"

Wanneer wij willen spreken over het Nederlandse beeldverhaal vóór 1850, dienen vooral de cents- of volksprenten genoemd te worden. Dit populaire drukwerk bestaat uit plano's die één of meer afbeeldingen bevatten en die vanaf de zestiende eeuw jaarlijks in miljoenen exemplaren onder het publiek gebracht werden.

De Marteldood van de Heilige Erasmus, 1460/70Waarschijnlijk het oudste gedrukte beeldverhaal is een prent die in twaalf taferelen de marteldood van de Heilige Erasmus voorstelt. Deze prent dateert uit omstreeks 1460/1470.

Detail uit de Marteldood van de Heilige Erasmus

Behalve kerkelijke prenten kwamen er ook wereldlijker beeldverhalen op de markt, van de fabels van Aesopus tot de modernere sprookjes, maar ook bijvoorbeeld het verhaal van dokter Faustus. Een aantal verhalen werd in de loop der jaren vele malen, en in verschillende variaties, gepubliceerd. Sommige personages kwamen in de beeldverhalen regelmatig voor, zodat je van vaste 'stripfiguren' kunt spreken. Hieronder vallen zeker Jan de Wasscher en zijn vrouwtje Griet. Meer dan dertig uitgevers hebben in drie eeuwen tijd de lotgevallen van dit komische duo geëxploiteerd. Jan de Wasscher is het prototype van de pantoffelheld die bij zijn vrouw onder de plak zit.

Jan de Wasscher
"Als 't in de wereld goed zal gaan,
Dan moet elk op zijn plaatsje staan
De man aan 't werk, de vrouw in huis,
Als de orde omkeert, is 't niet pluis"

Jan de Wasscher en zijn VrouwIn bovenstaand 19e-eeuwse voorbeeld zien we hoe Jan, nadat hij getrouwd is, door zijn echtgenote Griet gedwongen wordt zijn broek te verruilen voor de schoteldoek. Vervolgens moet hij alle huishoudelijk werk doen, waarbij hij menig standje krijgt vanwege zijn onhandigheid (hiernaast).

Jan de Wasscher en zijn Griet, 18381838: een van de vele versies van de 'stripfiguren' Jan de Wasscher en zijn vrouw Griet, hier afgebeeld in de gedaante van apen. Uitgegeven door Brepols, die in deze periode vele prentenboeken publiceerde.

Jan de WascherJan de Wascher

De centsprent werd ook gebruikt voor het uitbeelden van de vaderlandse geschiedenis. Hier leende de combinatie van tekst en beeld zich uitstekend voor onderwijs en algemeen vermaak.

Belegering van LeydenHiernaast een plaatje uit: "Belegering van Leyden, begonnen 5 Mey 1574, en verlaaten den 3 October"

In 1845 verscheen in Duitsland het prentenboek 'Lustige Geschichten und Drollige Bilder mit 15 Schön Kolorierten Tafeln für Kinder von 3-6 Jahren'. Aanvankelijk werd het gepubliceerd onder het pseudoniem Reimerich Kinderlieb, maar toen het een succes bleek, durfde de auteur, dokter Heinrich Hoffmann, voor zijn ware identiteit uit te komen. Het boek verschilde in hoge mate van de toen gangbare, vrij moralistische lectuur voor kleine kinderen: het vertelde ongeloofwaardige, bijna surrealistische verhalen, als satire op de ouderlijke bangmakerij, met een bizar gevoel voor humor dat meteen aansloeg - in 1876 beleefde het reeds zijn honderdste druk!

De allerdroevigste Geschiedenis met de Zwavelstokjes'De allerdroevigste Geschiedenis met de Zwavelstokjes'

Het boek werd waarschijnlijk al in 1848 in het Nederlands vertaald en uitgebracht onder de titel 'Piet de Smeerpoets'. Het beleefde ook in ons land vele herdrukken, en kent ook nu nog een bijzondere populariteit onder vele generaties. Heinrich Hoffmann schreef zelf het volgende over het ontstaan van zijn boek:

"Tegen Kerstmis van het jaar 1844, toen mijn oudste zoon drie jaar oud was, ging ik de stad in, om voor hem als kerstgeschenk een prentenboek te kopen, dat overeen zou moeten komen met het bevattingsvermogen van het kleine menselijke schepsel op zulk een leeftijd. Wat vond ik echter? Lange vertellingen of onnozele platenbundels, moralistische verhalen, die met waarschuwende voorschriften begonnen en eindigden, zoals: 'Het brave kind moet waarheidslievend zijn' of 'Brave kinderen moeten proper zijn', etc. Toen ik indertijd thuiskwam, had ik echter toch een boek meegebracht; ik overhandigde het aan mijn vrouw, met de woorden: 'Hier is het gewenste boek voor de jongen.' Zij pakte het aan en riep verwonderd:
'Maar dat is een schrift met lege bladzijden!'
'Welnu, dan zullen wij daar een boek van maken!'

De Muurbekladder"Daarmee ging het echter als volgt. Ik was in die tijd, naast mijn ambt als arts van een krankzinnigengesticht, ook nog aangewezen op de praktijk in de stad. Nu is de omgang met kinderen van drie tot zes jaar voor een arts iets speciaals. In tijden van gezondheid wordt de arts of de schoorsteenveger nogal eens gebruikt als opvoedingsmiddel: 'Kind, als je niet braaf bent, komt de schoorsteenveger en haalt je!' of: 'Kind, als je teveel daarvan eet, dan komt de dokter en geeft je bittere drankjes, of hij zet bloedzuigers!' Het gevolg is, dat als in slechte tijden de dokter geroepen wordt, en de kamer binnentreedt, de kleine zieke engel begint te huilen, zich te verweren en om zich heen te trappen. Een onderzoek naar de toestand is eenvoudigweg onmogelijk. Een arts kan ook niet urenlang geruststellen en kalmeren. Gewoonlijk hielp een blaadje papier en een potlood snel."

"Een van de verhalen, zoals die in het boek staan, werd snel bedacht, met drie lijnen getekend, en daarbij, als het kon, zo levendig mogelijk verteld. De kleine tegenstribbelaar wordt rustig, de tranen drogen op, en de arts kan spelenderwijs zijn plicht doen. Zo onstonden de meeste van deze gekke scènes, en ik schiep ze uit de voorraad die bij de hand was."

De allerdroevigste Geschiedenis met de Zwavelstokjes
"Verbrand is 't meisje heelegaar, Het arme kind! met huid en haar; Ze is tot een hoopje asch vergaan, Waar nog haar schoentjes nevens staan"
"En Pietje en Mietje schreiden, Zoo droevig met haar beiden: 'Mio! Miaauw! Mio! Miaauw!
Och, dat zij 't ook niet laten wou! Wij minden haar zoo teeder, Nu zien wij haar niet weder.'"

Mijnheer Pardoes en mejuffrouw MuizenschrikMijnheer Pardoes en mejuffrouw Muizenschrik

Mijnheer Pardoes en mejuffrouw Muizenschrik'De Geschiedenis van Mijnheer Kardoes en Mejuffrouw Muizenschrik' (1841) was een kluchtig verhaal naar het leven getekend door Hilmar Johannes Backer (1800-1845). Het verhaal gaat over een hond en een kat die zich verkleden als mensen in de hoop zo aan een lekker hapje te komen. Ze slagen daar uiteindelijk in door een rat c.q. boeven te vangen.

Mijnheer Pardoes en mejuffrouw Muizenschrik

(Met dank aan "De Archeologie van het Nederlandse Stripverhaal"door Nop Maas, 1997; en "Van Zedenleer tot Bruintje Beer" door Toos Zuurveen, 1996; en aan Joost Hölscher van de bibliotheek te Zutphen)