Stripgeschiedenis

Strips in de periode 1850-1900

Humoristisch Album, 1879

In de tweede helft van de negentiende eeuw was er sprake van opkomst en bloei van het satirisch tijdschrift. Satire kan worden omschreven als een aanklacht in een humoristische verpakking. Een satiricus wil niet alleen vermaken, maar ook kritiek leveren en onthullen. In de grondwet van 1848 was de vrijheid van drukpers opnieuw vastgelegd en door andere en verbeterde druktechnieken konden illustraties eenvoudiger en vooral goedkoper worden afgedrukt.

Onder invloed van de industrialisering en de emancipatie van diverse bevolkingsgroepen ontstond er een meer sociaal en politiek bewogen klimaat, waarin een satirisch tijdschrift goed kon gedijen. Het analfabetisme werd teruggedrongen en door de politieke bewustwording van grotere groepen mensen ontstond een steeds breder lezerspubliek. Veel, meestal rijk geïllustreerde tijdschriften verschenen in deze tijd, waarvan met name de satirisch getinte bladen zich in een grote populariteit mochten verheugen. Rond 1890 telde ons land ruim 20 van dergelijke spotbladen.

Politiek Gesprek vóór de VerkiezingenHet satirisch tijdschrift Polichinel verscheen in 1849 en kende acht afleveringen. Hierin verschenen de politiek snijdende gedichten van W.J. van Zeggelen, geïllustreerd met vele plaatjes. Ook deze houtsnede, 'Politiek Gesprek vóór de Verkiezingen', van C. le Blansch (1827 - 1886) verscheen in Polichinel.

In 1856 werd het Humoristisch Album opgericht. Dit blad probeerde zijn lezers niet alleen met komisch bedoelde teksten, maar ook met beelden te vermaken. Het werd een plek waar Nederlandse tekenaars zich konden uitleven en - wat voor hen het belangrijkste was - waar ze een ongetwijfeld bescheiden honorarium konden verdienen.

Humoristisch Album, 1866

De meeste tekeningen in het Humoristisch Album zijn losse cartoons. Daarnaast zijn er illustraties bij teksten. Naarmate de hoeveelheid illustraties bij een tekst groter wordt, krijgt het geheel meer het karakter van een beeldverhaal. Verder zijn er de bijdragen waarin het beeld overheerst: getekende reportages en beeldverhalen.

De tekenaar die vanaf 1874 de meeste cartoons, reportages en beeldverhalen aan het Humoristisch Album bijdroeg was Jan Linse (1843 - 1906). Opvallend is hoe hij speelt met de diverse mogelijkheden van het beeldverhaal: hij experimenteert met tekstloze verhalen, vogelvluchtperspectief en opvallende invalshoeken.

Uit het KoffiehuislevenUit het Koffiehuisleven: Onaangename gevolgen van een biljartstoot

Het OngeluksnommerHet Humoristisch Album bevatte werk van ongeveer alle belangrijke tekenaars die in die tijd in Nederland actief waren. Enkelen van hen leverden incidenteel een beeldverhaal. J. Holswilder (1850 - 1890), die geldt als een van de betere karikaturisten uit deze periode, leverde in jaargang 1887/88 een klein verhaaltje over een lot met het ongeluksnummer 13.

 

Het Bakkersbedrijf

In de serie 'Nieuwe Nederlandsche Kinderboeken' verscheen bij uitgeverij G.L. Funke omstreeks 1878 het instructieve verhaal 'Het Bakkersbedrijf', waarin de wat betere jeugd allerhande tips vindt om het bakkersvak te beoefenen.

Het Bakkersbedrijf

Een curieuze strip-uitgave is overigens ook te vinden in de "'s-Gravenhaagsche Almanak", uitgegeven door Erve C. Stichter van 1888 tot 1911. Deze jaarlijkse uitgave bevatte een geïllustreerd humoristisch verhaal, waarvan de tekenaar helaas onbekend is. Hieronder een plaatje uit 1888:

Uit de 's-Gravenhaagsche Almanak 1888"De heer Verbeijn was rentenier
En leefde op zijn gemak
En een ding gaf hem steeds plezier
Tuinieren was zijn zwak.
Nauw brak dan ook de morgen aan
Of onze vriend Verbeijn
Wilde altijd naar zijn bloemen gaan
En in zijn tuintje zijn.
Hij schoffelt, wiedt en harkt en spoot....
Een lust was 't om te zien
"

 

De Toekomststaat, 1891Uit 1891 dateert 'De Toekomststaat, Visoenen en Droombeelden uit de 20e eeuw', door Korporaal Achilles - pseudoniem van Johannes Franciscus Nuijens. Deze zeer productieve en politiek bewogen tekenleraar is de auteur van een flink aantal eind-achttiende-eeuwse beeldverhalen.

Een andere humoristische tekenaar die in deze periode actief was, was Alexander VerHuell. Hij produceerde verschillende albums met plaatjes, die vaak een verhalend karakter hadden.

De Taal der Muziek door VerHuell
VerHuell: 'De Taal der Muziek: Allegro Finale'

Weekblad voor de jeugd, 1894Weekblad voor de Jeugd, 1894

Sinds 1894 was Nederland een eigen jeugdblad rijk, Weekblad Voor De Jeugd. Waarschijnlijk werden veel illustraties overgenomen uit buitenlandse publicaties. In ieder geval verscheen iedere week een strippagina, waar de rijkere jeugd kon zien hoe het ondeugende schelmen zal vergaan (boven).

Stuivers Blad

Meneer IJzerarm, uit StuiversbladMeneer IJzerarm, Superman avant la lettre, een stripje gesigneerd met Phalke.

Meneer IJzerarm, uit StuiversbladIn 1890 wordt het Geïllustreerd Stuiversblad geïntroduceerd. Rijk geïllustreerd, met vrolijke vertellingen. Rond 1898 komen er veel strips in te staan, van Franse, Duitse en Engelse oorsprong. Zo vinden we er tekenaars als McEvoy, August von Meissl, A. Sorel, H. Albrecht, Frederick Opper, Caran d'Ache, Benjamin Rabier, Godefroy en (bijna in ieder nummer) F. M. Howarth.

strip uit het StuiversbladEen verscholen advertentie voor het Stuiversblad.
Een vrije vertaling van een stripje van Howarth.

Mijnheer Prikkebeen
Reizen en avonturen van Mijnheer Prikkebeen

Het Humoristisch Album publiceerde in 1866 ook een Nederlandse vertaling van 'Monsieur Cryptogame' van Rudolf Töpffer (overigens zonder diens naam te noemen), die in 1858 al door J.J.A. Goeverneur vertaald was. Monsieur Cryptogame heet hier meneer Spillebeen, een naam die het niet gehaald heeft als alternatief voor Goeverneurs Prikkebeen.

Mijnheer PrikkebeenMijnheer PrikkebeenMijnheer Prikkebeen

In 1845 was dit werk reeds in Engeland gepubliceerd. Dat het medium beeldverhaal in deze periode niet bijzonder hoog werd gewaardeerd, blijkt wel uit een opmerking die Goethe maakte over Töpffer: "Als Töpffer in de toekomst een wat minder frivool onderwerp zou kiezen en zich een beetje in zou houden, zou hij ondenkbaar grootse dingen kunnen produceren."

Uit: Voor 't Jonge Volkje, 1898
Uit: Voor 't Jonge Volkje, 1898

Bovenstaande strip stond in het 37ste deel van Voor 't Jonge Volkje (Geïllustreerd Tijdschrift voor de Jeugd), dat onder redactie van P. Louwerse stond. Het stamt uit ongeveer 1898. Naast leerzame artikelen en spannende verhalen werden af en toe gedichten geplaatst met bijpassende illustraties. Waarschijnlijk werd hiervoor buitenlands materiaal gebruikt.

Negentiende eeuws röntgenapparaat
Negentiende eeuws röntgenapparaat

Ons Jongensblad (1898)
Ons Jongensblad (1898)

In Ons Jongensblad stonden veel strips uit met name Franse en Duitse bladen. Opvallend is dat dit blad niet alleen in Nederland en ons Indië wordt verspreid, maar ook in Transvaal. Dit maakt ook het standpunt van Nederland in de Boerenoorlog duidelijk. Men beschouwde de boeren als verre bloedverwanten.

Ons Jongensblad

Tafereelen uit de Geschiedenis des Vaderlands, 1854Uit 1854 dateert: 'Tafereelen uit de Geschiedenis des Vaderlands, tot Nut van Groot en Klein', met rijmpjes van de schrijver Jacob van Lennep en tekeningen van Jhr. P. van Loon.

Tafereelen uit de Geschiedenis des Vaderlands, 1854"Men kroonde Graaf Willem II Roomsch Koning, En dat gaf in Aken een mooie vertooning; Maar kort daarna - wisselvallig is 't lot - Toen sloegen op 't ijs hem de Friezen kapot."

Moeder Hubbard en haar hondMoeder Hubbard en haar hond
'Moeder Hubbard en haar hond' is een uit het Engels vertaald bakerrijm met 14 prenten. Het werd gepubliceerd in 1860 en gaat over een vrouw die alles doet voor haar hond, die eerst dood ligt, daarna weer tot leven komt en allerhande menselijke handelingen verricht.

Veel historische gebeurtenissen werden in een sequentie weergegeven, zoals deze platen uit een jongensalmanak (1863)
Veel historische gebeurtenissen werden in een sequentie weergegeven, zoals deze platen uit een jongensalmanak (1863)

(met dank aan 'De Archeologie van het Nederlandse Stripverhaal' door Nop Maas, 1997)