Stripgeschiedenis

1945-50 Tijdschriften

Kapitein Rob's vrienden, 1949

Zo gauw als de papierdistributie het toelaat gaan ook de tijdschriftenmakers weer aan het werk. Vooral geïnspireerd door Engelse en Amerikaanse moppenbladen die onze bevrijders bij zich hadden, werd Nederland overspoeld door nieuwe bladen. Deze bladen bevatten voornamelijk getekende moppen en af en toe een stripje, evenals veel dames in badpak.

No. 39, 1949No. 41, 1949No. 48, 1949

Daarnaast onstonden er heuse stripbladen. Deze maakten gebruik van het succes van de krantenstrip. Zo ontstonden er bladen als Rob's Vrienden, Ketelbinkie-krant, Sneeuwblok en Tom Poes Weekblad.

Sneeuwvlok

Schrijver/tekenaar Wim Meuldijk 'vond' samen met Ton van Heusden een voorraad van het dan schaarse papier, waarmee ze het nieuwe blad Sneeuwvlok van de grond konden krijgen. Uiteindelijk zouden van Sneeuwvlok tien nummers verschijnen. Later ontpopt Meuldijk zich tot de inspirerende artistiek directeur van de Ketelbinkie Krant (zoals het blad in Rotterdam heette) / Robs Vrienden (de rest van Nederland).

Ketelbinkie Krant

Rob's VriendenOp 11 december 1945 verscheen in Het Parool voor het eerst de heldhaftige gestalte van Kapitein Rob van Stoerem - spoedig bij eenieder bekend om zijn spannende avonturen. Deze tekststrip van de hand van Pieter Kuhn was onmiddellijk een groot succes. Al gauw werd er het weekblad Robs Vrienden aan gewijd.

Illustratie op cover hiernaast : Piet Deunhouwer

Fokkie Flink door Joop Geesink

Fokkie Flink door Henk Zwart

Joop Geesink, die in 1943 was opgehouden samen te werken met Marten Toonder in de Toonder-Geesink Studio's om zich meer op animatie te richten, tekent in deze tijd nog wel de avonturen "uit het veelbewogen leven" van Fokkie Flink, op tekst van Henk de Wolf. Later neemt Henk Zwart het tekenpenseel van Geesink over. Van de opbrengst werden schranspartijen georganiseerd voor de hongerige stadsjeugd.

Stripverhalen: Bim en Dokie DurfStripfilm, november 1945

Het blad Stripfilm is in 1945 opgericht door Piet van Elk. In 1942 had Van Elk samen met zijn broer John een tekenfilmstudio opgezet op 't Singel in Amsterdam. Stripfilm besteedde dan ook aandacht aan zowel strips als tekenfilms. Zo werd onder meer Mickey Mouse aangekondigd, een strip waarover overigens niet de rechten werden verworven. De tekenaars voor dit blad waren, naast Piet van Elk: Siem Praamsma, Henk Albers en Albert van Beek. Er verschenen slechts vijf nummers van Stripfilm.

Ome Keesje, door Henk Zwart'De Avonturen van Ome Keesje', geschreven door Willem van Cappellen, verschenen oorspronkelijk als hoorspel, maar waren zo populair dat zij rond 1947 ook in boekvorm werden uitgegeven, met illustraties van Henk Zwart.

Heintje Biet door Jan Wiegman
Heintje Biet door Jan Wiegman (De Fontein, 1948)

De FonteinSpectaculair was De Fontein, het tijdschrift voor Katholieke jongens en meisjes, waar Piet Worm in de redactie zat. Naast strips van zijn hand was ook Jan Wiegman van de partij met zijn strip 'Heintje Biet'. Het blad, dat zichzelf "jaarboek" noemt, verscheen in twaalf afleveringen per jaar. De spannendste strip was wel 'Professor Zegellak', door Worm en Daan Zonderland.

Professor Zegellak, door Piet Worm
Professor Zegellak (De Fontein, 1948)

In het land van koning Temperatuur, uit De Fontein
In het land van koning Temperatuur (De Fontein, 1948)

Okidoki nr. 7, 1948Okidoki nr. 23 (1948)

Vanaf december 1947 verscheen tweewekelijks het blad Okidoki Beeldfeuilletons. Het bevatte naast Nederlands werk ook veel Engelse, Italiaanse en Franse strips.

Olleke en Bolleke
'Olleke en Bolleke' van Cor Stork, uit Okidoki nr. 8, 1948)

Okidoki nr. 20 (1948) en de eerste Jumbo (juli 1949)Okidoki nr. 20 (1948) en de eerste Jumbo (juli 1949)
Okidoki nr. 20 (1948) en de eerste Jumbo (juli 1949)

In 1949 veranderde de naam van Okidoki naar Jumbo, waarschijnlijk na een geschil met het blad Okido.

OkidoDe Nar

Wanneer de papierdistributie in 1948 wordt opgeheven verschijnt er een groot aantal tijdschriften op de Nederlandse markt. Vaak worden de bladen nog erg gebrekkig gedistribueerd en zijn ze alleen in de omgeving van de plaats van uitgave te krijgen. De bladen waren gevuld met filmsterren en moppen en de meeste waren wanhopig op zoek naar Nederlands vrouwelijk covertalent.

De Club van ZevenWies Kuypers

Een klein aantal bladen gaf ook Nederlandse striptekenaars de kans hun werk te etaleren. Maar om een Amerikaanse indruk te wekken, werd er rijkelijk gebruik gemaakt van anglo-saksisch klinkende pseudoniemen, zoals Morton Mill, Donkey Shot, Dompey en Fred Somer. Het is niet ondenkelijk dat John Kennis achter veel van deze namen schuilt. Zeker is dat Fred Somer een schuilnaam is voor Henk Backer.

Familie Kuikenfluiter van Donkey Shot

Het land is nog niet bevrijd of het oud-Hollands gekanker begint alweer. In de duidelijk voor een volwassen publiek gemaakte commentaren van Henk Backer (Fred Somer) in Kiekeboe kon het herrijzen van Nederland niet snel genoeg gaan.

Fred Somers Droomde

Kiekeboestripje van Morton Mill (John Kennis?)

Boven en onder: waarschijnlijk werk van John Kennis

Pietje Poppesnor door Dompey

Vader door Peter LutzVader door Peter Lutz
Familiestrip van Peter Lutz uit Moeder (1949)

Het blad Moeder ("vakblad voor moeders") plaatste misschien wel de eerste Nederlandse familiestrip, waarin tekenaar Peter Lutz de vader de rol van antiheld liet vervullen.

RobbedoesRobbedoes

Naast de bovengenoemde tijdschriften van eigen bodem, zijn er twee tijdschriften van onze zuiderburen die niet ongenoemd mogen worden. Het blad Robbedoes bestond al sinds 1938, maar kreeg na de oorlog zijn grootste succes door de komst van tekenaars als André Franquin, Morris en Peyo. In 1946 kreeg Kuifje, de avontuurlijke reporter van Hergé, zijn eigen tijdschrift. Waar Robbedoes zich kenmerkte door humor en lol, onderscheidde Kuifje zich door het kwalitatief hoogstaande realisme van tekenaars als Hergé, Jacobs en Cuvelier. Typerend voor deze tijdschriften is dat ze ieder kwart jaar ook ingebonden als album verkrijgbaar waren.

KuifjeKuifje