Stripgeschiedenis

Andries Brandt

Holle Pinkel, by Andries Brandt
Holle Pinkel

Andries Brandt was een Nederlands stripscenarist en af en toe ook een tekenaar. Hij was tussen 1955 en 1973 één van de meest prominente scenaristen voor de Toonder Studio's en werkte aan bijna al hun producties. Brandt ontwikkelde ook nieuwe creaties voor Toonder, zoals 'Holle Pinkel' (1960-1963), 'Horre, Harm en Hella' (1968-1971) and 'Aafje Anders' (1971-1973). Tijdens de jaren 1970 en 1980 werkte hij voornamelijk voor de stripbladen van uitgeverij Oberon, waarbij hij 'Tina en Debbie' (1974-1984) voor het meidenblad Tina bedacht en de voetbalstrip 'Roel Dijkstra' (1975-1981) voor Eppo. Zijn verhalen hebben een sterke voorkeur voor absurde en occulte thema's. Brandt's belang voor de Nederlandse stripindustrie wordt echter overschaduwd door de postume onthullingen over zijn activiteiten tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen hij in één van de wreedste divisies van de Waffen SS diende.


Ton Kooreman, Andries Brandt en Ank de Boer op de Toonder Studio's, getekend door Thé Tjong-Khing (1958)

Andries Brandt werd op 22 juni 1918 te Haarlem geboren. Hij werkte nadat hij de schoolbanken verliet in een echte bank. Dit duurde echter niet lang en tot 1938 oefende hij diverse baantjes uit, waarna hij het leger in ging. Hij diende van augustus 1938 tot mei 1940 als vaandrig in het 2-5 Grensbataljon van het Nederlandse leger. Hij bracht het grootste deel van de oorlog thuis door bij zijn moeder. Het Gewestelijk Arbeidsdbureau van Haarlem liet hem van mei 1943 tot de herfst van 1944 in de Mauser Werke fabriek in Obendorf, Duitsland, werken. Op 1 november 1944 sloot Brandt zich bij de SS aan waar hij in Hoogeveen tot officier werd opgeleid en in Neustrelitz in het SS Jagdverband Nord/West. Hij bracht twee weken lang aan het front door nabij de Duits-Poolse grens, waar hij gewond raakte door granaatscherven en door een oud Russisch dametje verpleegd werd. Hij keerde in april 1945 in het gezelschap van het beruchte Kommando Zeppelin, ook bekend als Kommando Steinbach, terug naar Nederland. Zijn commando-officier was Andries Pieters (1916-1952) en de voornaamste taak van de groep was het arresteren en ondervragen van Nederlandse verzetsstrijders in de bezette zone. De groep had echter Duitse bevelen vervalst en opereerde tijdens de laatste oorlogsmaand autonoom in Brummen en Loosdrecht. Het Kommando Steinbach ging de geschiedenis in als één van de wreedste SS divisies in Nederland: de beschrijvingen van hun marteltechnieken zijn huiveringwekkend. Willy Lages, de Sicherheidsdienstchef in Nederland, beval op 2 mei 1945 zelfs de arrestatie van Pieters vanwege zijn insubordinatie. Andries Pieters was de laatste Nederlander die de doodstraf kreeg in Nederland: zijn executie vond plaats op 21 maart 1952.

Andries Brandt beweerde dat hij slechts een getuige was van de excessen van de losgeslagen groep, terwijl hij in technische divisie diende. Stijn Wiegerinck vermeldt in zijn boek 'Het Commando Pieters' (Aspect, 2014) geen bijdragen van Brandt aan de martelingen en schrijft de zwaarste misdrijven toe aan Pieters en SS-Sturmmann Wilhelm van de Loo (1909-1981). Brandt verliet begin mei 1945, kort na Hitler's dood, de groepsbasis in Loosdrecht. Hij keerde naar zijn ouderlijk huis terug waar zijn moeder persoonlijk de SS bloedgroeptatoeage van zijn arm wegsneed. Hij bleef zich verschuilen, maar in september 1947 gaf hij zich dan toch aan. De collaborateur werd tot vier jaar cel en dwangarbeid in de Limburgse mijnen veroordeeld. Ter plekke volgde Brandt een tekencursus aan de "Famous Artists School". Tijdens de jaren 1950 was er grote vraag naar strips. Ondanks zijn gebrek aan ervaring en twijfelachtige achtergrond werd Brandt in 1955 als striptekenaar door de Marten Toonder Studios in Amsterdam ingehuurd. Het officiële verhaal van zijn oorlogsjaren luidde dat hij in 1944 de Mauser Werke fabriek was ontvlucht, de rest van de oorlog ondergedoken zat en vrijwillig in de mijnen was gaan werken. Marten Toonder was zich echter grotendeels bewust van Brandts achtergrond, maar vond dat de man zijn straf had uitgezeten en een nieuwe kans verdiende.

Holle Pinkel en Luie Labberdas by Andries Brandt
Eerste verschijning van Holle Pinkel (Leeuwarder Courant, 15 september 1960)

Brandt werd algauw bij vrijwel alle producties ingeschakeld, ofwel als schrijver of als illustrator. Hij werd regelmatig gevraagd om de lay-out van schetsen te verzorgen, zodat andere tekenaars de afgewerkte plaatjes konden invullen. Stripschrift nummer 77 (1975) vermeldt dat hij het eerste halfjaar in de studio 'Koning Hollewijn' tekende. Zonder specifiek bekende kredietvermelding droeg hij bij aan andere reeksen van Toonder, zoals 'Tom Poes', 'Panda', 'Kappie', maar ook 'Olle Kapoen', 'Student Tijloos' (getekend door Gerrit Stapel), 'Joris Valckenier' (door Gerrit Stapel) en 'Marion' (door Jan Wesseling). Gezien zijn naam niet in de algemene historiografie van de meeste van deze strips verschijnt kan men aannemen dat Brandt meehielp bij het verhalen bedenken of assisteeerde bij de tekeningen. De 'Tom Poes' krantenverhalen 'De Gezichtenhandel' (1961), 'Het Ontstoffen' (1961), 'De Wezelkennis' (1961), 'Het Boze Oog' (1961) en 'Het Huilen van Urgje' (1962) werden mogelijk met behulp van Brandt gemaakt. Hij bedacht ook de hoofdplot van 'Heer Bommel en de Trullenhoedster' (1966), alhoewel het laatste verhaal volledig door Marten Toonder herwerkt werd. Met Hans van Gorkom herwerkte hij vanaf 1958 enkele krantenverhalen van 'Olle Kapoen' om tot balloonstrip voor het weekblad Donald Duck.


Holle Pinkel en de ijzeren prinses (1962)

In 1958 nam Brandt van Eiso Toonder de scripts van 'Birre Beer' over. Samen met tekenaar Ton Beek werkte hij aan de strip voor het Algemeen Handelsblad tot deze op 28 maart 1959 ten einde kwam. Zijn eerste grote werk voor de studio was zijn eigen creatie 'Holle Pinkel'. In de klassieke Toondertraditie was het hoofdpersonage een antropomorf konijn dat allerlei avonturen beleeft in een dierenbos. 'Holle Pinkel' was echter een ballonstrip, terwijl Toonder's eigen reeksen tekststrips waren. Brandt schreef en tekende aanvankelijk de reeks zelf, terwijl Ank de Boer inkte. 'Holle Pinkel' liep vanaf 15 september 1960 tot 11 juni 1963 in lokale en regionale kranten zoals Leeuwarder Courant en de Provinciale Zeeuwse Courant. Vanaf het elfde verhaal nam Piet Wijn het tekenwerk over. Wijn tekende vijf extra verhalen gebaseerd op plots van Brandt en maakte in 1963-1964 eigenhandig een volledige kleurenpagina voor het christelijke weekblad De Spiegel.

Holle Pinkel A4 opzet
Ongebruikte opzet van Brandt voor een Holle Pinkel-strip op A4-formaat (met dank aan Patty Klein)

Andries Brandt diende van 1963 tot 1972 als hoofd van de stripafdeling van Toonder Studio's. In 1965 verhuisde Marten Toonder naar Ierland en werd Bert Kroon algemeen manager van het bedrijf, dat twee jaar later naar het kasteel Nederhorst ten Bergh verhuisde. Tegen 1965 kreeg de studio een grote opdracht van uitgever De Geïllustreerde Pers voor wekelijkse verhalen rond 'Hiawatha' en 'De Grote Boze Wolf' voor het vrolijke weekblad Donald Duck. Brandt en nieuwkomer Patty Klein waren de voornaamste scenaristen van deze verhalen. Klein kwam in 1966 bij Brandt in de studio werken en de meeste van hun verhalen waren vanaf dat moment samen geplot. Het duo voegde heel wat nieuwe elementen aan de twee Disney-strips toe. De Grote Boze Wolf en zijn Booswichtenclub kwamen geregeld in aanvaring met Mevrouw Schaapkens en haar Brave Damesbond. Het indiaantje Hiawatha kreeg een hondje dat Humpie heette en de medicijnman van zijn stam kreeg een prominentere rol in de verhalen. De meeste verhalen werden getekend door Jan Steeman ('De Grote Boze Wolf') en Jan van Haasteren ('Hiawatha'), maar Dick Matena, Bjørn Frank Jensen en Piet Wijn waren ook bij de productie betrokken. Tussen 1968 en 1970 schreef het team vele verhalen met Hanna-Barbera's 'The Flintstones', 'Yogi Bear' en 'Cave Kids' voor het maandelijkse stripblad De Flintstones, een andere publicatie van De Geïllustreerde Pers.

Andries Brandt schreef verder een aantal verhalen voor de 'Tom Poes' ballonstrip die in Donald Duck verscheen. 'De Tegendeler' (1967) en 'De Rappe Raters' (1968) werden door hem bedacht en hij werkte ook Patty Kleins testopdracht 'De Woelwater' (1967) verder uit. Later schreven Brandt en Klein ook de plot voor 'Tom Poes en de Wiekschieters' (1970), een reclamestrip voor Alete-Molenaar babyvoeding. Samen met Jan van Haasteren bedachten ze 'Bartje en Opa' voor gratis huis-aan-huisbladen uit Amsterdam (1967-1970) en Den Haag (1970-1971). Klein en Van Haasteren zetten de strip later zonder Brandt verder in het kinderblad Jippo, onder de titel 'Erik en Opa' (1974-1980). Tijdens de laatste jaren van de stripafdeling kregen de Toonder Studios ook orders van buitenlandse uitgevers. Algauw schreven Brandt en Klein ook verhalen met Rolf Kauka's 'Fix und Foxi', 'Pauli' en 'Die Pichelsteiner' voor het Duitse blad Fix und Foxi, evenals vele gags met de antropomorfe kat 'Pelle Svanslös' (een creatie van Gösta Knutsson) voor de Zweedse Semic Press. Het team bedacht ook nieuwe reeksen die echter in de ontwikkelingsfase strandden, zoals 'Toef de Tiller' (met Jan van Haasteren), 'De Wensvervuller' (Piet Wijn), 'Engel en Duivel' (Piet Wijn), 'Otje Otter' (Jan van Haasteren) en 'Wriemelburg' (Leo van Noppen).


Eerste aflevering van Horre, Harm en Hella, getekend door Juan Escandell (1968)

Brandts hoofdactiviteiten tijdens de jaren 1960 en 1970 waren echter voornamelijk de twee krantenstrips die hij via de studio's voor de krant De Telegraaf opzette. De eerste hiervan was de tekststrip 'Horre, Harm en Hella' (1968-1971), wat zijn meest kenmerkende strip werd. In de reeks spelen de sociale verschoppeling Horre Grim, zijn dochter Hella en hun dienaar Harm de hoofdrol. Hun avonturen zijn een mengeling van het mystieke en occulte, wat hen ook een regelmatig doelwit van rellen maakt. Het eerste verhaal begint met dorpelingen die hun landhuis met rieken, toortsen en stokken bestormen, waardoor de familie opnieuw verhuist. De zeer onbeholpen Horre neemt het allemaal goedhartig op. De man beschouwt zichzelf niet als excentriek: zijn filosofie is dat alle andere mensen raar zijn. Deze buitengewone strip begon op 18 december 1968 in De Telegraaf en liep elf verhalen lang, tot 11 maart 1971. De oorspronkelijke tekenaar was de Spanjaard Juan Escandell, die door een Brits agentschap was ingehuurd (hierom dachten de auteurs jarenlang dat ze voor een Brit hadden gewerkt die "S. Candell" heette). Hij werd aan het einde van het eerste verhaal door Thé Tjong-Khing vervangen. Jan van Haasteren sloot zich vanaf het tweede verhaal bij Khing aan en tijdens het derde avontuur nam Georges Mazure het tekenwerk over. Het oorspronkelijke concept werd door Brandt bedacht in samenwerking met Klein, maar de teksten bleven echter altijd een persoonlijk project voor Brandt. Brandt bleef de voornaamste scenarist van alle verhalen, maar voor de latere verhalen werd Vera Wijman ingeschakeld om de teksten te schrijven.


Aafje Anders arriveert in Amsterdam (1971), tekeningen van Jan van Haasteren

Tegen 1971 vroeg De Telegraaf om iets lichtvoetigers. De ongewone Horre, Harm en Hella werden afgevoerd en vervangen door het schalkse meisje Aafje Anders. Haar avonturen spelen zich af in Amsterdam, wat hen onmiddellijk herkenbaar maakt. Het gaf Brandt ook de kans om actuele zaken in zijn verhalen te verwerken. Aafje is echter, zoals haar naam suggereert, anders dan doorsnee meisjes. Haar oplossingen en methodes zijn "out-of-the-box", terwijl ze een weerbarstige natuur heeft. Ze lijkt van het ene avontuur in het andere te vallen, maar gelukkig is haar inventieve grootvader altijd in de buurt om haar te helpen. Jan van Haasteren was de oorspronkelijke tekenaar van de reeks die op 20 maart 1971 in De Telegraaf begon. Hij voelde zich echter niet op zijn gemak met de semi-realistische tekenstijl en werd vanaf het vijfde verhaal door de Brit Robert Hamilton vervangen. Toonder huistekenaar Richard Klokkers verzorgde de achtergronden in Hamiltons verhalen. Het tiende en laatste avontuur kwam op 17 april 1973 ten einde. Zowel 'Horre, Harm en Hella' en 'Aafje Anders' werden tijdens de jaren 1980 in boekformaat gepubliceerd in de collectie 'Uit de Toonder Studio's' door Arboris en Het Stripschap. In 1974 werd een eerdere boekcollectie met de eerste 'Horre, Harm en Hella' verhalen door Tango gepubliceerd.


Professor A.B.C. Breinbreier, getekend door Carry Brugman

Andries Brandt verliet in 1972 zijn dienstbetrekking Toonder en werkte vanaf dan als freelance auteur vanuit zijn boerderij in Acquoy, een dorpje nabij Geldermalsen. De stripafdeling van de studio werd het jaar erop gesloten, waardoor enkel de tekenaars in diensverband Richard Klokkers, Frits Godhelp en later Jaap Lamberton achterbleven om het overblijvende werk te verzorgen. Brandt en Klein kregen de Duitse opdracht van Kauka mee, maar gingen toch vooral ieder huns weegs. Beiden werden prominente schrijvers voor de bladen die door Oberon gepubliceerd werden, de stripafdeling van de VNU uitgeversgroep. Eén van Brandts eerste projecten was de overname van 'Joris Jofel' (1972-1974) uit handen van scenarist Ruud Ringers, in het tijdschrift Sjors. Het hoofdpersonage is een jongetje dat aan "griezelitis" lijdt, waarbij hij aldoor de rillingen krijgt. Brandt en artiest Carry Brugman maakten drie extra verhalen met de personages en zetten daarna hun samenwerking verder met twee avonturen van het 19de eeuwse genie 'Professor Breinbreier' en zijn minder capabele assistent D.E.F. Grutjes (1974-1975).

Andries Brandt leverde ook regelmatig bijdragen aan het meidenblad Tina. Zijn eerste creatie betrof de eigentijdse avonturen van 'Winny de Wilde' (1973-1974) met Jaap Vermeij. Toen kwamen de melodramatische belevenissen van 'Jennifer Scott' (1973-1975), getekend door Piet Wijn, die in het landelijke Oregon plaatsvinden tijdens de periode van de Amerikaanse pioniers. Het titelpersonage is een meisje uit de bovenste middenklasse dat voor haar boze tante vlucht en op zoek gaat naar haar vader, die onterecht van een bankoverval wordt beschuldigd. Brandt werkte opnieuw met Robert Hamilton aan de alledaagse avonturen van 'Kitty' (1974-1975), alhoewel het derde verhaal ook occulte elementen bevatte. Latere reeksen voor Tina omvatten o.m. de avonturen van 'Stewardess Paula' (1976-1981), met tekeningen van Jesus Redondo, en onafhankelijke verhalen zoals 'Carla - Koningin van de nacht' (1982, tekeningen door Ron Lumsden), 'Anja - De wraak van Zavel' (1982-1983, tekeningen door Carlos Freixas) en 'Winny en de wonderoliebollen' (1983, tekeningen van Trini Tinturé).


Tina en Debbie - Mode, Maskers en Misdaad (Tina #26, 1982), tekenwerk van Purita Campos

Brandt was bovendien verantwoordelijk voor de nieuwe titelstrip van het blad. Tina was oorspronkelijk een vertaling van het Britse blad Princess Tina. Tussen 1968 en 1973 plaatste het een vervolgverhaal dat 'Tina's eigen verhaal' heette, door Bill Baker getekend werd en van Britse oorsprong was. Tegen 1974 bloeide de lokale productie van verhalen en de redacteuren vonden dat ze een titelpersonage nodig hadden waar de Nederlandse lezers zich mee konden identificeren. Andries Brandts 'Tina en Debbie' debuteerde in het 36ste nummer van 1974 en zou de hoofdreeks blijven tot 2010. Tina was een model, terwijl haar vriendin Debbie een modeontwerper was. Dit leverde de schrijver genoeg materiaal op om de twee meisjes over de hele wereld op avontuur te sturen. De tekeningen werden verzorgd door Purita Campos, die ook voor het Britse blad gewerkt had en verantwoordelijk was voor Tina's geschilderde covers. Andries Brandt schreef de verhalen tot kort voor zijn dood in 1985. Patty Klein schreef één aflevering in 1985, waarna redacteur Marjolein Winkel het overnam. Een aantal verhalen werden tussendoor door Kleins zus Conny Möricke geschreven. Tegen 1998 pikte redactrice Kitty Smit het schrijfwerk op, vaak in samenwerking met Lucienne van Ek. Deze verhalen verschenen onder een heleboel pseudoniemen, waaronder Kian-Sú, Karin Fytts, Lucy Kettenini, Frank Titsy en Hannie Smitman. In 2008 werd Campos vervangen door Edmond Ripoll. De reeks kwam in 2010 ten einde toen de redacteuren besloten zich op een jonger publiek te richten. In de loop van 2013 werd een volledige nieuwe en veel modernere Tina ontworpen door Jan Vriends.

Andries Brandt was ook aanwezig in de vroege nummers van De Vrije Balloen (1975), het meer volwassen en experimentele stripblad dat door Patty Klein en Jan van Haasteren was opgericht. Het blad bood haar medewerkers complete creatieve vrijheid. Het initiatief werd grotendeels aangewakkerd door de onzekerheid die ontstond nadat de bladen Sjors en Pep waren opgeheven, evenals de beperkingen die werken voor kinderbladen meebrachten. De eerste editie van De Vrije Balloen werd in 1975 gepubliceerd en was een ware groepsinspanning zonder hiërarchie. Het team hield zich bezig met een hele reeks grafische oefeningen, sappige verhalen en andere ruwe experimenten. Brandt schreef onder meer verhalen voor Robert van der Kroft, Thé Tjong-Khing en Jan van Haasteren.

Hij ontwikkelde nieuwe reeksen voor Eppo, het stripblad dat in 1975 uit de fusie tussen Sjors en Pep voortkwam. Samen met Carry Brugman maakte hij de eigentijdse western 'Burt Becker' die onuitgegeven bleef, maar uiteindelijk in 1979 als deel van Oberons zwart-wit albumreeks in boekvorm werd uitgegeven. Veel duurzamer bleek de voetbalstrip 'Roel Dijkstra' (1975-1981), die Brandt samen met Jan Steeman maakte sinds het eerste nummer van het blad. Voor de eerste verhalen werd voetballer Willem van Hanegem ingeschakeld als adviseur. Brandt was allesbehalve een voetbalfan en gaf Steeman de ruimte om zelf de sportsequenties in te vullen. Het personage was aanvankelijk een getalenteerde speler bij de lokale club FC Leidrecht, maar veranderde in een internationale voetbalheld naarmate de verhalen vorderden. Steeman en Brandt maakten tot 1981 tien verhalen met het personage, waarna de Brit Keith Watson en Serviër Marinko Lebovic nieuwe afleveringen tekenden, terwijl Dave Hunt, Jaap Bubenik en Roy Robson (Jacques Post) de verhalen schreven. De reeks werd in 2016 nieuw leven ingeblazen door Willem Ritsier en Roelof Wijtsma voor het opnieuw gelanceerde blad Eppo.


Marten Toonder (links) en Andries Brandt (rechts), vermoedelijk in de jaren 1980

Andries Brandt overleed op 15 april 1985 op 67-jarige leeftijd aan een hartaanval in zijn woonplaats Acquoy. Pas na zijn dood vernamen veel van zijn vrienden en collega's wat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog op zijn kerfstok had. Velen hebben geprobeerd vat te krijgen op zijn mysterieuze persoonlijkheid: Patty Klein in haar poëzie, anderen in getuigenissen en interviews. Om de publicatie van 'Horre, Harm en Hella' in 1968 in De Telegraaf te introduceren schreef Marten Toonder:

"Andries Brandt is een begaafd schrijver-tekenaar, en één van de boeiendste artisten waarmee ik heb mogen werken. Weliswaar verbergt hij zijn kwaliteiten achter een volstrekt normaal uiterlijk. Zijn kleding is eerder conservatief dan hip, en zijn gelaat, dat niet door bovenmatige haargroei aan het oog wordt onttrokken, spreekt van ernst en diepe gedachten. Zijn woorden komen kalm en weloverwogen te voorschijn - en bij besprekingen valt hij op door zijn bezadigd zwijgen. In het begin van onze samenwerking heb ik mij door dit optreden laten misleiden, maar langzamerhand werd het duidelijk dat achter dit optreden een wereld schuil ging die de buitenstaander voor raadselen plaatste. Door een lichte flikkering van het oog, een geheimzinnig lachje om de mondhoeken of een onverklaarbare opmerking begreep ik al spoedig, dat hij anders was en dat zijn opvattingen zich aan de gangbare normen onttrokken."


Horre, Harm en Hella (De Telegraaf, 9 July 1969), getekend door Jan van Haasteren

In Stripschrift nummer 289 (1996) beschreef de altijd openhartige Dick Matena Brandt als een gesloten en bittere man met een tamelijk sadistisch gevoel voor humor. In zijn herinneringen aan de Toonder Studio's vertelt Fred Julsing dat hij zich aanvankelijk geïntimideerd voelde door Brandt, maar dat ze geleidelijk aan vanuit hun gezamenlijk licht revolutionaire maatschappelijke interesses het goed met elkaar konden vinden. Klein, Matena en Julsing hebben hem allen geprezen als een goede leraar. Men kan mogelijk glimpen van Andries Brandts compromisloze karakter terugvinden in zijn meer persoonlijke creaties. Horre, Harm en Hella zijn outsiders en hun mentaliteit en daden zijn ver verwijderd van de algemene sociale normen. Henri Goeman Borgesius, hoofdredacteur van De Telegraaf, haatte naar verluidt de sadistische ondertonen, ook al kan de strip voornamelijk als absurd omschreven worden. Aafje Anders is met haar onconventionele persoonlijkheden ook een ietwat rare snuiter.

Het is moeilijk om Andries Brandts werk te beschouwen zonder aan zijn twijfelachtige verleden te denken, maar het kan niet ontkend worden dat hij een enorme stempel heeft nagelaten op de Nederlandse stripindustrie van de jaren 1960 en 1970. Samen met Patty Klein was hij een pionier van de lokale productie van Nederlandse Disneyverhalen. Hij deed later hetzelfde voor Tina, waarbij hij het blad van een mascotte voorzag die meer dan 35 jaar standhield. Als studiohoofd van de Toonder Studio's heeft hij jarenlang veel jong talent getraind, terwijl zijn voetbalstrip 'Roel Dijkstra' tot de dag van vandaag een Nederlandse klassieker in het genre is.


Andries Brandt in de jaren 1970

Engelse biografie in de Comiclopedia

Register van tekenaars