Stripgeschiedenis

Albert Hahn Senior

comic by Albert Hahn Sr.
Strip door Albert Hahn over de pogingen van SDAP partijleider Troelstra om de Tweede Kamer voor zijn motie voor algemeen stemrecht te laten stemmen (De Notenkraker, 1907). De liberale politicus Hendrik Goeman Borgesius wordt als hond voorgesteld.

Albert Hahn (ook bekend als Albert Hahn Sr.) was één van de meest vooraanstaande Nederlandse politieke cartoonisten uit de vroege 20ste eeuw, en een sterk aanhanger van het socialistische ideaal. Humor vormde in zijn cartoons dan ook geen sleutelelement, maar propaganda voor de arbeidersbeweging wel. Veel van Hahns tekeningen verschenen in partijbladen, zoals de zondagseditie van de krant Het Volk en het politiek-satirische weekblad De Notenkraker. Daarnaast ontwierp hij ook pamfletten, spandoeken, vlaggen en andere promotionele manifestaties. Zijn tekening rond de spoorwegstakingen van 1903 en zijn voorstelling van premier Abraham Kuyper als "Abraham de Grote" zijn nog steeds krachtige getuigenissen van een revolutionaire periode. Deze cartoons worden tot op de dag van vandaag in schoolboeken en historische referentieboeken gebruikt. In een tijd toen fotografie nog niet de voornaamste illustratiebron was, werd de publieke opinie vooral beïnvloed door Hahn en karikaturisten uit de andere "zuilen", zoals Johan Braakensiek, Louis Raemaekers en Petrus van Geldrop.

Groningse jaren
Albert Pieter Hahn werd op 18 maart 1877 in Groningen geboren. Zijn vader was een huis- en decoratieschilder, die daarnaast een winkel in verfgerei uitbaatte. De verkoop ging slecht en de familie Hahn kwam uiteindelijk in een typische arbeidersbuurt terecht. Daar werd de jonge Albert voor het eerst geconfronteerd met armoede. Als kind kreeg hij ook TBC gehad in één van zijn rugwervels. De ziekte keerde meermaals in zijn leven terug, waardoor hij vaak maandenlang niet kon werken. Het zorgde er ook voor dat hij niet in zijn vaders voetsporen kon treden, aangezien schilderwerk fysiek te veeleisend was. In plaats daarvan studeerde hij tussen 1890 en 1896 met tussenpozen aan de lokale Minerva Kunstacademie, waar hij modeltekenen, geometrisch tekenen, schilderen en de perspectiefwetten leerde. De jonge tekenaar kwam er ook in contact met verschillende Nederlandse schilders. Hij was aan de ene kant geshoqueerd door het expressionistische werk van Vincent van Gogh, maar tegelijkertijd gegrepen door het menselijke aspect ervan. Na zijn afstuderen sloot Hahn zich aan bij de Rijksschool voor Kunstnijverheid in Amsterdam.


'Krotten en sloppen' (1901).

Amsterdam
De verhuizing van Groningen naar Amsterdam loodste Hahn direct de wereld van de bloeiende industrie en het hevige sociale en politieke debat binnen. Hij deelde een studio met drie medestudenten in het arbeidersbuurt De Pijp en werd lid van de sociaal-democratische partij SDAP. Daarnaast was hij actief als leerling-typograaf. Hahn was ontevreden over zijn opleiding en volgde in de avonduren lessen in modeltekenen aan de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten. Rond deze tijd werd hij overtuigd dat kunst een sociale verantwoordelijkheid te dragen had. Toen hij in 1900 eenmaal afgestudeerd was, had hij zijn eerste baantje als avond-tekenleraar op de Eerste Ambachtschool en de Avondteekenschool. Overdag probeerde hij bij te verdienen met commerciële opdrachten. Rond deze tijd maakte hij ontwerpen voor boekcovers, behangpapier en japonstof, grotendeels beïnvloed door Jugendstil en Art Nouveau. Hij kwam in de kijker via zijn tekeningen voor de brochure 'Krotten en sloppen' (1901), een studie door de socialist L.M. Hermans over de ebarmelijke leefomstandigheden in de Amsterdamse sloppenwijken. Het toonde Hahn als een "tekenaar-reporter", vergelijkbaar met Gustave Doré in 'London: A Pilgrimage' (1872) en George Barnard in 'How the Poor Live' (1883).


In 1907 werkten Hahn en Hermans opnieuw samen aan een strip over de Nederlandse politiek in de vorm van een kindervertelling, gepubliceerd in De Notenkraker.

Zondagsblad/De Notenkraker
Zijn werk voor 'Krotten en Sloppen' bood voordelen toen hij in juni 1902 deelnam aan een wedstrijd van Het Volk, de partijkrant van de SDAP. De krant zocht een cartoonist voor haar nieuwe zondagseditie, het Zondagsblad, om de sociaal-democratische principes via satire en karikatuur te verspreiden. Het eerste nummer rolde op 6 juli 1902 van de persen, met Hahns winnende tekening op de cover. Hahn werd de voornaamste graficus van het supplement. Hij leverde niet alleen de covers, maar ook illustraties, koppen en vignettes. In latere jaren waren H.E. Greve en Tjeerd Bottema ook regelmatige medewerkers. Aanvankelijk droegen zijn redacteuren - allen partijprominenten - de onderwerpen aan, maar na verloop van tijd ging hij zelfstandig werken. In januari 1907 werd de zondagseditie een onafhankelijke publicatie onder de titel De Notenkraker. Hahn bleef betrokken als hoofdkarikaturist, ook al had in latere jaren te kampen met een verslechterde gezondheid.


Covers voor De Ware Jacob van 16 januari 1904 (met de beroemde 'Abraham de Geweldige' tekening) en voor het eerste nummer van De Notenkraker van 5 januari 1907.

Toen hij meer bekendheid kreeg, nam ook de interesse voor zijn werk toe. Hahn werd gevraagd om ook aan andere publicaties bij te dragen, zoals het satirische blad De Ware Jacob (1903-1905) en het nieuwsblad De Hollandsche Revue (1905). Het Duitse blad Der Wahre Jakob publiceerde ook een aantal van zijn tekeningen. Hij wees echter verzoeken van de kranten De Telegraaf en Het Vaderland af, respectievelijk omdat de inhoud te ver van zijn idealen stond, of juist teveel op zijn thuisbasis Het Volk leek.

Techniek en thema's
Albert Hahn gebruikte verschillende technieken. Soms maakte hij gedetailleerde pentekeningen met slim gebruik van arcering, voor andere tekeningen gebruikte hij krijt en houtskool. Zijn bekendste werken kenmerkten zich echter door hun dikke lijnen en gestileerde zwart-wit vormen. Vooral in De Notenkraker gebruikte Hahn vaak het sequentiële stripformat om zijn boodschappen te brengen. Zijn belangrijkste inspiratiebronnen waren de tekeningen van de buitenlandse cartoonisten wiens werk ook in Nederlandse blade verscheen, met name de Brit Walter Crane en de Fransman Steinlen.


"Onder zwart regime" (1904).

De doelwitten in Albert Hahns tekenignen waren de vijf grote bedreigingen van de arbeidersklasse, door de socialisten omschreven als "De 5 K's": Kerk, Koning, Kapitaal, Kazerne en Kroeg. Tot de uitbraak van de Eerste Wereldoorlog was het merendeel van zijn tijdschriftwerk politiek georiënteerd. Terwijl tijdgenoten als Braakensiek voornamelijk commentaar leverden op het nieuws van de dag, lag de nadruk in Hahns werk voornamelijk op propaganda, zij het geïnspireerd door de actualiteit. Veel elementen in zijn tekeningen hadden een symbolische betekenis. Kluizen en geldzakken stonden voor kapitalisme, treinen voor vooruitgang en sociale hervormingen, terwijl fabrieken met hun rokende schoorstenen ofwel als huizen van macht en kansen waren bedoeld, ofwel als symbool van loonslavernij. Mensen vormden zijn krachtigste voorstellingen. Net als in de meeste socialistische cartoons werd de arbeider voorgesteld als een gespierde man met een fiere blik en stevige kin. In andere tekeningen is hij het onderdrukte slachtoffer van de gulzige en slavendrijvende kapitalist met pafferig gezicht en hoge hoed.

Spoorwegstaking (1903)
De krachtige en heldhaftige arbeider komt ook voor in Hahns misschien wel beroemdste cartoon. In januari 1903 gingen de Amsterdamse haven en spoorwegarbeiders in staking om te strijden voor hun recht om zich te organiseren in vakbonden. Op 8 februari 1903 visualiseerde Hahn de revolutionaire gebeurtenis op de cover van het Zondagsblad. Het toont een grote, krachtige figuur die een trein tegenhoudt door simpelweg zijn hand op te richten, terwijl twee kleine kapitalisten zich aan zijn benen vastklampen en wanhopig smeken op te houden. De ondertitel luidt: "Gansch het raderwerk staat stil, als uw machtige arm het wil". Het werd een iconisch beeld van een tijdsperiode die tot op de dag van vandaag in schoolboeken afgebeeld wordt. De nasleep van de staking leverde Hahn ook heel wat bruikbaar materiaal op. Premier Abraham Kuyper zag de staking als een daad van anarchisme en voerde nieuwe wetten in die stakingen illegaal maakten en orde onder spoorweg- en regeringspersoneel moesten handhaven. De socialisten noemden dit "worgwetten", bedoeld om arbeiders verder te onderdrukken. Hahn maakte verschillende tekeningen over deze wetten, maar degene waarin Kuyper een geketende arbeider wurgt (8 maart 1903) springt eruit. De tekening circuleerde wijd en zijd als losse prent. De overheid kon er niet om lachen en winkeliers die de prent verkochten of ophingen kregen een boete. Hahn zelf bleef buiten schot.


Tekeningen van Abraham Kuyper van 10 april 1904 en 30 september 1911.

Abraham Kuyper
Alhoewel Kuyper al vóór de stakingen van 1903 door Hahn was getekend, werd hij pas nadien zijn voornaamste doelwit. Hahn beeldde de man meer dan 450 keer af en nooit op een vleiende manier. Kuyper was theoloog, priester en politicus die in 1879 de anti-revolutionaire partij ARP oprichtte, en tussen 1901 en 1905 minister-president was. Ook al vertegenwoordigde Kuypers partij de zogenaamde "kleine luyden", dan nog was de conservatieve politicus buitengewoon kritisch over de socialistische beweging. Eén van Hahns bekendste voorstellingen,'Abraham de Geweldige', toont het varkensgezicht van de politicus in extreme close-up met wangzakken, norse blik en knijpbril op de plompe neus. Ze verscheen op 16 januari 1904 op de cover van De Ware Jacob. Alhoewel na 1905 Kuypers politieke rol veel van zijn belang had verloren, bleef Hahn de man tekenen, zelfs zonder directe aanleiding. Soms bladerde de Kuyper van Hahn gewoon een nummer van De Notenkraker door terwijl hij zich snikkend verzuchtte waarom hij niet meer vermeld werd? Hahn werd soms ook geïnspireerd door sensationelere nieuwsberichten. Toen de corpulente staatsman in september 1911 vanachter een Brusselse hotelraam naakt betrapt werd tijdens zijn ochtendgymnastiek, tekende Hahn onmiddellijk twee bijtende cartoons. Eén beelde hem uit als Manneken Pis, de ander zijn arrestatie terwijl hij een boek voor zijn genitaliën houdt.


Deel van een strip die de aspiraties van liberaal politicus Dirk de Klerk persifleert. Zijn alsmaar groeiende schedel blijkt uiteindelijk enkel lucht te bevatten, met slechts een klein restantje van wat een interpellatie moest worden (De Notenkraker, 2 juni 1907).

Andere politici
Hahn leefde in een tijd waarin kranten vooral tekeningen als illustratiemateriaal gebruikten, terwijl fotografie en filmtechnologie nog in de kinderschoenen stonden. Hierdoor werd bij het grote publiek de Kuyper van Hahn het algemeen bekende beeld van de man. Het moet gezegd dat Hahns Kuyper niet altijd even accuraat was. Hij maakte zijn tekeningen uit het hoofd en door de jaren heen weken zijn voorstellingen in dikke, ruwe lijnen steeds meer af van het origineel. Albert Hahns versie van Abraham Kuyper werd het archetype van de kapitalistische politicus, die geen oog voor de noden van de armen heeft. Vanzelfsprekend portretteerde Hahn ook andere politieke figuren, voornamelijk partijleiders. Bijvoorbeeld Ferdinand Domela Nieuwenhuis, leider van de anarchisten. Domela Nieuwenhuis gaf Troelstra en zijn sociaal-democraten de schuld voor het falen van de staking uit 1903 en beschuldigde hen van verraad. Hahn maakte hier vele tekeningen over, waarbij de sociaal-anarchistische leider vaak wordt afgebeeld als gier die zich aan de slachtoffers van de staking tegoed doet. In Het Zondagsblad van 13 september 1903 bewerkte Hahn het conflict ook in stripvorm, waarbij de boze, liegende anarchisten werden afgebeeld met Pinokkio-achtige neuzen. Net als Kuyper bleef ook de oudere Domela Nieuwenhuis met zijn lange grijze baard in Hahns repertoire. Andere politici die Hahn regelmatig tekende waren partijgenoten van Kuyper als Theo Heemskerk en Syb Talma, evenals de christelijke voorman Alexander Frederik de Savornin Lohman.


Pamflet tegen kroegen (1903) en een verkiezingsposter voor de SDAP (1918).

Commerciële opdrachten
Zijn indrukwekkende productie voor de SDAP publicaties – ongeveer 3.600 tekeningen tijdens de periode 1902-1918 – evenals zijn toewijding aan de partij-idealen, maakte van Hahn een bekende figuur in sociaal-democratische kringen. Hij raakte bevriend met prominenten als partijleider Pieter Jelles Troelstra, politicus A.B. Kleerekoper, graficus Richard Roland Holst en journalist Eduard Polak. Dit leidde tot vele extra opdrachten, waaronder ontwerpen voor banieren, vlaggen, advertenties, tableaux vivants en andere propagandastukken. Aangezien de socialisten uit waren op het organiseren van betogingen en manifestaties was er altijd genoeg werk te doen. Een interessante productie was een door Hahn ontworpen poppenspel, waarin vanzelfsprekend ook Abraham Kuyper figureerde. Hahn was één van de pioniers in het maken van politieke posters, die in de tijd voor het algemeen stemrecht (1915) nog niet veel voorkwamen. Veel van zijn pamfletten propageerden daarom het stemrecht, maar hij maakte ook veel pamfletten tegen alcoholgebruik. Andere opdrachten waren voor toneelstukken, tentoonstellingen of andere culturele manifestaties, maar ook voor commerciële klanten als de Zaanse beschuitfabriek Verkade, het thee-, koffie- en cacaomerk De Archipel, verzekeringsmaatschappij Providentia of de gloeilampen van Philips.


'Aan de Belgische grens' (1915)

Eerste Wereldoorlog
In 1914, na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, verdween de dagelijkse politiek grotendeels uit Albert Hahns repertoire. Het ideaal van het internationaal socialisme en onderlinge solidariteit was aan gruzelementen geslagen. Veel van Hahns cartoons van augustus 1914 tot zijn dood in 1918 behandelen de gruwelen van de oorlog. Hoewel Nederland neutraal bleef, werd het land toch plots overstelpt met Belgische vluchtelingen. Het Duitse leger installeerde een elektrisch prikkeldraad om de Belgisch-Nederlandse grens af te sluiten. Dit zorgde voor vele slachtoffers langs de grens, waardoor het bekend kwam te staan als de Dodendraad. Eén van Hahns bekendste tekeningen uit deze periode toont een lichaam dat aan de draad vast hangt. Een andere krachtige tekening stelt het in 1915 getorpedeerde passagiersschip Lusitania voor. Lijken drijven op zee, terwijl een vrouw haar baby boven water probeert te houden. Net als zijn vaderland koos Hahn geen partij in het conflict, maar gebruikte in enkele van zijn meest monumentale tekeningen archetypen als de kapitalist, de soldaat en de dood.


Hahn's tekening over het zinken van de Lusitania (1915).

Leerlingen
Met zijn gezondheidsproblemen in het achterhoofd is de omvang van Albert Hahns oeuvre indrukwekkend. Tegen 1904 had hij al voldoende werk om zijn baan als onderwijzer op te zeggen. Hij bleef op zondagen schilderlessen geven vanuit zijn woning in de Watergraafsmeer, waar hij vanaf 1907 verbleef. Elie Smalhout was tussen 1903 en 1906 een assistent van Albert Hahn. Hij vervulde allerlei klusjes in het atelier en inktte hoogstwaarschijnlijk ook enkele cartoons van zijn meester. Latere studenten waren Sjoerd Kuperus, Thomas Postuma, Otto Hanraath, Klaas de Vries en Chris van Geel. Hahns stiefzoon Albert Hahn Jr. (echte naam Albert Pieter Dijkman) werkte in zijn laatste jaren met hem samen.

Dood
Albert Hahn maakte het einde van de Eerste Wereldoorlog niet meer mee. Hij overleed op 3 augustus 1918, hevig verzwakt door het voedseltekort en de rantsoenering. Kranten van alle sociale gezindten berichtten over zijn dood, waarbij de meesten zijn bijdrage aan de Nederlandse kunst eerden. De SDAP hield Hahn ook na zijn dood in hoge achting, en partijleden richtten zelfs een comité op om een grafmonument voor hem te financieren. Zijn werk maakte deel uit van vele tentoonstellingen, waaronder één over socialistische kunst in het Amsterdamse Stedelijk Museum in 1930. Albert Hahn Jr. stelde een selectie van zijn stiefvaders tekeningen samen onder de titel 'Prenten' (1928).

Bij De Notenkraker liet Albert Hahns dood op 41-jarige leeftijd een leegte achter. Zijn voorpagina's werden overgenomen door Leendert Jordaan, die al sinds 1909 bijdragen leverde. Albert Hahn Jr. werd ook een prominent tekenaar voor het blad, waarbij later ook George van Raemdonck, Tjerk Bottema en Albert Funke Küpper zich aansloten. De Notenkraker verscheen tot 1936.

Nalatenschap
Albert Hahn wordt beschouwd asl één van de stichters van de Nederlandse politieke cartoon. Generaties cartoonisten zijn, direct of indirect, schatplichtig aan zijn nalatenschap. Duizenden van zijn tekeningen bevinden zich in de collectie van het Nederlandse Persmuseum en zijn opvraagbaar via het Internationale Instituut van Sociale Geschiedenis in Amsterdam.

Boeken en documenaires over Albert Hahn
Wie in 's mans leven en werk is geïnteresseerd, wordt het boek 'Albert Hahn' (Thomas Rap, 1993) van Marien van der Heijden warm aanbevolen. Ter gelegenheid van de honderdste sterfdag van de kunstenaar maakte Pim Zwier de documentaire 'De Getekende Hahn, een fascinerende kunstenaarsportret' (2018). De film is opgebouwd als een monoloog, puttend uit een van de zeldzame interviews met de man, en geïllustreerd met zijn tekeningen en historische foto's.

Selfportrait by Albert Hahn
Zelfportret uit 1916.

Engelse biografie in de Comiclopedia

Register van tekenaars

(Tekst door Bas Schuddeboom)