Stripgeschiedenis

Patty Klein

Patty Klein by Jan Steeman

Patty Klein is een Nederlandse stripscenariste en dichteres wiens carrière meer dan 50 jaar overspant en wie terecht de "grande dame van de Nederlandse strip" wordt genoemd. Sinds haar debuut in 1966 is zij één van de weinige mensen in Nederland die voltijds strips schrijft. Ze is verder de eerste vrouw met een fulltime baan in de Nederlandse stripindustrie. Klein heeft met vele belangrijke striptekenaars samengewerkt en schreef verhalen voor bijna elk Nederlands stripblad. Ze wordt vooral met het meisjesblad Tina geassocieerd, waarvoor ze sinds 1973 vele reeksen geschreven heeft. Haar beroemdste figuur is het klungelige meisje 'Noortje', dat ze in 1975 samen met Jan Steeman creëerde. Tussen 1975 en 2016 was het met 41 jaar de langstlopende Nederlandse stripreeks die ononderbroken door één en hetzelfde team gemaakt werd. Behalve strips schrijft ze ook poëzie onder haar trouwnaam Patty Scholten.

Ze werd op 25 januari 1946 in Den Haag geboren als Patricia Cecilia Klein. Haar ouders leefden en werkten in Berlijn, maar waren terug naar hun vaderland gevlucht toen het Russische leger aan het einde van de Tweede Wereldoorlog de stad naderde. Ze noemden hun dochter Patricia, als eerbetoon aan hun repatriëring. Patty Klein groeide op in Amsterdam, waar ze een fascinatie voor dieren en lezen ontwikkelde. Klein vulde vele pagina's van haar middelbare schoolkrant met haar verhalen en gedichten. Vanaf haar zestiende spendeerde ze al haar vrije tijd als vrijwilliger in de zoo van Artis, waar ze de oppasser hielp om voor de dieren te zorgen. Net zoals de stripindustrie was dierentuinwerk destijds mannenwerk en de directeur van de zoo was zich niet bewust van haar aanwezigheid. Klein herinnerde zich dat ze zich vaak in het reptielenhuis verborg wanneer hij langs kwam gewandeld.

Toen ze 20 werd solliciteerde ze voor een baan bij de Toonder Studio's die in de Geldersekade in Amsterdam gevestigd waren. Marten Toonder was net naar Ierland verhuisd en scenarist Lo Hartog van Banda had de studio ook verlaten, dus was er vraag naar nieuwe scenaristen. Ze werd een leerlinge van studiochef Andries Brandt en algauw nam ze aan bijna elke productie deel. Aanvankelijk combineerde ze freelance studiowerk met haar biologiestudie. Na een jaar zei Klein haar studie vaarwel en werd een voltijds schrijver, terwijl ze in haar vrije tijd van het Amsterdamse hippieleven genoot. Ze sloot zich later bij de studio aan op hun nieuwe locatie in het kasteel van Nederhorst den Bergh.


Een van Patty's Panda gags met tekenwerk van Piet Wijn

Kleins proefopdracht hield de plot van de 'Tom Poes' ballonstrip 'Tom Poes en de Woelwater' (1966, tekeningen door Wim Lensen en Frits Godhelp) in, die in het blad Donald Duck verscheen. De afgewerkte tekst werd echter door Brandt geschreven, met wie ze op regelmatige basis zou samenwerken terwijl ze voor de Toonder Studio's werkte. Klein voelde zich niet op haar gemak met het typische taalgebruik van Toonders persoonlijke stripcreaties. De schrijver stond immers bekend om zijn zeer gesofistikeerde, gecultiveerde en ietwat excentrieke taalgebruik, wat moeilijk te imiteren was, laat staan te overtreffen. Daarom werkte Klein niet zo vaak met Toonders personages, behalve het advertentieverhaal 'Tom Poes en de Wiekschieters' (1970) voor Alete-Molenaar pap en een twintigtal gagstrips rond 'Panda' die op de verpakking van Bolletje biscuit verschenen. Laatstgenoemden waren getekend door Piet Wijn.

Big Bad Wolf script by Patty Klein and Andries BrandtBig Bad Wolf by Jan Steeman
Links: Scenario voor een Kleine Boze Wolf verhaal door Patty Klein en Andries Brandt
Rechts: Hetzelfde verhaal, getekend door Jan Steeman in Donald Duck #33, 1968

Tussen 1966 en 1969 bestond Klein en Brandts werk voor de Toonder Studio's voornamelijk uit het plotten van verhalen rond de Disneyfiguren 'De Grote Boze Wolf' en 'Hiawatha'. Het oorspronkelijke Amerikaanse Disney-materiaal was stilaan op en de Toonder Studio's werden gevraagd om de secundaire verhalen van het weekblad Donald Duck te voorzien, waarin beide personages elkaar om de andere week afwisselden. Klein en Brandt introduceerden heel wat nieuwe elementen in de reeksen. De Grote Boze Wolf en Booswichtenclub kwamen geregeld in de problemen bij Juffrouw Schaapkens en haar Brave Damesbond. De kleine Indiaan Hiawatha kreeg een hond genaamd Humpie en de medicijnman van zijn stam kreeg een prominentere rol in de verhalen. Patty Klein was ook verantwoordelijk voor de Nederlandse naam van Hiawatha's stam: de Rondbuiken. De meeste verhalen werden getekend door Jan Steeman ('Grote Boze Wolf') en Jan van Haasteren ('Hiawatha'), maar Dick Matena en Piet Wijn waren ook bij de producties betrokken. Eén van Kleins collegastudenten biologie was Midas Dekkers die zichtoen nog bij zijn eigen naam Wandert liet noemen. Omdat hij zo'n hekel had aan zijn echte voornaam liet hij zich voortaan "Midas" noemen, geïnspireerd door Midas Wolf.


Patty Klein en Andries Brandt

Tijdens de late jaren 1960 schreven Klein en Brandt verder verhalen rond de Hanna-Barbera personages 'Yogi Bear', 'Cave Kids' en 'De Flintstones' voor het maandelijkse Flintstones stripboek dat door De Geïllustreerde Pers werd uitgegeven. De tekeningen werden door Ton Beek, Ed van Schuijlenburg, Jan van Haasteren en Jan Steeman verzorgd. Tussen 1968 en 1972 schreven Klein en Brandt de grappige dierenstrip 'Polletje Pluim' op de achterpagina van het christelijke vrouwenweekblad Prinses. De strip werd oorspronkelijk geschreven en getekend door Dick Matena, maar werd in 1968 door Jan van Haasteren verder gezet en vanaf 1971 door Frits Godhelp. Patty Klein assisteerde ook Andries Brandt bij het bedenken van plots voor zijn eigen creaties die in de krant De Telegraaf verschenen. De eerste was de bovennatuurlijke en ietwat absurde tekststrip 'Horre, Harm en Hella' (1968-1971) met tekeningen van achtereenvolgens Juan Escandell, Jan van Haasteren (met Thé Tjong-Khing) en Georges Mazure. Tussen 1971 en 1973 nam ze deel aan de krantenstrip over 'Aafje Anders', wiens avonturen in Amsterdam plaatsvonden en altijd losjes op de actualiteit gebaseerd waren. De eerste verhalen hadden tekeningen door Jan van Haasteren en daarna namen Robert Hamilton en Richard Klokkers de tekenpen over. Een ander project was 'Toef de Tiller', een strip die zich in het stenen tijdperk afspeelde en door Van Haasteren getekend werd. Klein bedacht heel wat woordspelingen en taalspelletjes in de strip, maar deze werd nooit afgewerkt of gepubliceerd. Andere samenwerkingen met Van Haasteren waren 'Ole en Kreutel' voor de zuivelmaatschappij Vecomij en 'Bartje en Opa' in het Amsterdamse huis-aan-huisblad Aspect (1967-1971). Laatstgenoemde strip ging over een jongen en zijn grootvader, een ex-zeeman, en kan als de eerste Nederlandse familiestrip beschouwd worden, drie jaar voor Jan Kruis' 'Jan, Jans en de Kinderen' (1970).


Synopsis voor een Pelle Svanslös verhaaltje uit een van Patty Kleins notitieschriftjes

Terwijl begin jaren 1970s de meeste stripproducties van de Toonder Studio's ten einde kwamen wist de afdeling te overleven via bestellingen van buitenlandse uitgevers. Patty Klein en Andries Brandt schreven verhalen met personages als 'Fix und Foxi', 'Pauli', 'Tom und Biber' en 'Die Pichelsteiner' voor Rolf Kauka's publicaties in Duitsland en een verhaal voor Frank Sels' westernstrip 'Silberpfeil' ('Zilverpijl') voor Bastei Verlag. Patty Klein schreef ook een tweehonderdtal gags en enkele langere verhalen over de antropomorfe kat 'Pelle Svanslös' (een creatie van Gösta Knutsson) voor Semic Press in Zweden. Het tekenwerk werd door Wim Lensen, Frits Godhelp en Börge en Joannika Ring verzorgd. De stripafdeling sloot uiteindelijk in 1973 haar deuren en Patty Klein moest elders naar werk zoeken. Later in haar leven toonde ze zich uitermate kritisch over Marten Toonder en de manier waarop hij zijn artiesten behandelde, vooral inzake financiële compensatie en Toonders weigering om krediet toe te kennen aan zij die het verdienden.

Distel by Borge Ring
Laatste stroken van de Distel-strip, waarin de auteurs afscheid nemen (Pep #5, 1974)

Algauw vond Patty Klein werk bij de toonaangevende Nederlandse stripbladen uit die tijd. Meesterscenarist Lo Hartog van Banda had al zijn tijd nodig om aan de tv-serie 'Ti-Ta Tovenaar' (1972-1974) te schrijven en stelde Klein voor om hem op te volgen bij zijn stripprojecten voor uitgever Oberon. Hij wist zelfs dezelfde paginaprijs voor haar te bedingen, waardoor ze één van de bestbetaalde stripscenaristen werd, ook al was ze toen nog vrijwel onbekend gezien al haar werk voor Toonder anoniem gebeurde. Eén van haar eerste opdrachten was de grappige dierenstrip 'Distel' in Sjors, getekend door Børge en Joannika Ring. Ze volgde Banda eind 1972 op en schreef de verhalen 'Distel en de Wenswurm', 'Distel en Boem-Boem', 'Distel en Sloffie' en 'Distel en Henkie' tot begin 1974. Patty Klein en Jan van Haasteren volgden Banda en Dick Matena op als de makers van 'De Argonautjes', een serie die op Griekse mythologie gebaseerd was en in Pep gepubliceerd wed. Ze maakten één verhaal: 'Het Water van de Styx (1974). Voor dezelfde publicatie schreef ze gags voor Jan van Haasterens absurde humorstrips 'Baron van Tast' en 'Tinus Trotyl' in 1974 en 1975. Ze volgde Martin Lodewijk op als schrijver voor de gangsterstrip 'Johnny Goodbye', waarvoor ze de verhalen 'Gangsters en grafkransen', 'Hanky Panky' en 'Klopjacht op een kleuter' maakte met Dino Attanasio (1973-1975).

Erik en Opa
Erik en Opa (Jippo #9, 1977-1978), tekeningen van Jan van Haasteren

Ze werd ook een regelmatig schrijver voor Okki, Jippo en Taptoe, de educatieve kinderbladen van Malmberg. In Okki publiceerde ze kortverhalen en gedichten, waaronder ook de titelstrip 'Okki Bokki Boef' (1971-1975) met tekeningen van Ton Beek en 'Joep, Jolleke en Pots' (1976) met Jan van der Voo. Klein en Beek werkten ook samen aan de stripreeks over de jongen Flip en het meisjes Flossie voor Jippo (1973-1974). Voor ditzelfde blad blies Klein met Jan van Haasteren ook 'Bartje en Opa' nieuw leven in onder de titel 'Erik en Opa' (1974-1980). Een andere opmerkelijke creatie was de poëtische pantomimestrip 'Annemoon' (1980-1982), die door Piet Wijn voor Okki werd getekend. In Taptoe schreef ze de puzzelstrip 'Sulle Hooms' (1978-1981) over een gelijknamige privé-detective. Het tekenwerk werd door Prutswerk voorzien (Gerrit de Jager en Wim Stevenhagen). Klein droeg ook bij aan Paul Bodini's strip 'Het verhaal van...' voor Jippo, waarvan het eind van het verhaal altijd terugverwees naar het begin. Kleins laatste werk voor Malmberg was de gagstrip 'Marloes' (1991-1992) met Fred de Heij in Taptoe. De strip werd na amper één jaar afgelast, grotendeels omdat De Heijs tekeningen te realistisch bevonden werden.

Sulle Hooms
Sulle Hooms, door Patty Klein en Prutswerk (Taptoe 1981-1982 #29)

Toen Sjors en Pep in 1975 fuseerden tot Eppo werd Klein aangesteld om de klassieke 'Sjors en Sjimmie'-strip te schrijven, thans getekend door Robert van der Kroft. De redactie wilde een terugkeer naar de oorspronkelijke set-up uit de jaren 1930, toen Frans Piët gagpagina's tekende in een typisch Nederlandse setting, in plaats van de sciencefictionverhalen die Jan Steeman sindsdien had gemaakt. Klein schreef de strip tot midden 1977, toen Wilbert Plijnaar en Jan van Die de reeks van haar "wegkaapten". De nieuwe auteurs waren bij de redactie gaan klagen dat zij het beter konden. Na enkele testpagina's waren de redacteuren overtuigd en namen Klein zonder veel boe of ba de strip uit handen. In de jaren nadien schreef Klein anoniem enkele verhalen van 'De Leukebroeders' voor Uco Egmond en Peer Coolen.

Haar verdere stripwerk uit de jaren 1970 bedroeg reclamestrips voor de 3 Musketiers chocoladerepen van Mars, twee politieke strips voor Groningen Nu, kortverhalen en quizzen voor Tina Club, cartoons voor Ryam agenda's, een instructieboekje voor de Nieuw Rotterdam Groep en enkele plots voor de 'Jan, Jans en de Kinderen'-strip door Jan Kruis. Klein schreef ook plots voor 'Moeps Pepernoot', een strip die in 1974 door Jan Kruis en Jan van der Voo werd ontwikkeld voor het societyblad Story. Naast stripscenario's schreef Klein afleveringen van Lo Hartog van Banda's tv-serie 'Ti Ta Tovenaar', waaronder een hoorspeladaptatie die op vinylplaat werd uitgebracht. Samen met Eli Asser schreef ze humoristische anekdotes over de Nederlandse geschiedenis voor de rubriek 'Zij maakten geschiedenis' in de tv-show 'NOS-Kiosk', een productie van Joop Geesink. In 1973 werd er een compilatieboek gepubliceerd met illustraties door Frits Kloezeman en Jan van Haasteren.

Jong Geluk, a story by Patty Klein and Thé Tjong Khing for De Vrije Balloen #2
Jong Geluk, een verhaal van Patty Klein and Thé Tjong Khing voor het tweede nummer van De Vrije Balloen

De jaren 1970 waren ook de periode van meer volwassen en experimentele strips. Geïnspireerd door nieuwe Franse magazines als Hara-Kiri en L'Écho des Savanes wilden Patty Klein en Jan van Haasteren een nieuw stripblad lanceren met volledige creatieve vrijheid voor al haar medewerkers. Het initiatief werd grotendeels aangewakkerd door de onzekerheid die ontstond nadat de bladen Sjors en Pep verdwenen en de beperkingen die het werken voor kinderbladen meebrengen. De eerste editie van De Vrije Balloen werd in 1975 gepubliceerd en was een ware collectieve inspanning zonder hiërarchie. Patty Klein, Robert van der Kroft, Jan Steeman, Thé Tjong-Khing, Andries Brandt en Jan van Haasteren leefden zich uit in een heleboel grafische vingeroefeningen, pikante verhalen en andere woeste experimenten. Qua productie werd Van Haasteren's broer Herman ingeschakeld, terwijl Hans van den Boom de financiën regelde en Patty's echtgenoot Huub Scholten allerlei klusjes opknapte. Later sloten andere artiesten zich aan, waarvan de nieuwkomers Gerrit De Jager, Wim Stevenhagen, Eric Schreurs, Paul Schindeler en Paul Bodoni het opvallendst waren. Nadat ze de uitgave en distributie zelf regelden wendde het team zich tot uitgevers als Theo van den Broek, De Vrijbuiter en uiteindelijk Ger van Wulften voor de productie. Het laatste nummer verscheen in 1981, waarna het tot 1984 als De Balloen verder ging via Van Wulftens uitgeverij Espee.

Vera van de Risico
Vera van de Risico (1974), tekenwerk van Nico van Dam

Volgens Patty Klein was uitgever Oberon niet zo happig op het nieuwe project. Vooral toen kranten zich op de onvrede van de artiesten over de werksfeer bij de kinderbladen focusten. Oberon vond nu dat Klein de "hand die haar voedde had gebeten." Haar kant van het verhaal is dat de uitgever bijgevolg zijn redacteurs aanspoorde om haar te boycotten. We kunnen echter constateren dat ze nog steeds een gestage aanwezigheid in zowel Eppo en Tina volhield en zelfs de decennia daarop haar productie wist op te voeren! Tijdens de jaren 1980 bestond haast de helft van Tina uit haar reeksen. Patty Kleins lange associatie met dit meidenblad begon in 1973. Haar eerste werk was de gagstrip rond het maffe kantoormeisje 'Fleurtje' (1973-1974), getekend door Børge en Joannika Ring, die op de achterkant van het blad verscheen. Haar eerste reeks was 'Conny Wildschut' (1973) met tekeningen van Dino Attanasio. Het is het verhaal van een meisje dat vrijwilligerswerk doet in een dierenasiel. De melodramatische toon van deze reeks was vergelijkbaar met de meeste Britse meisjesstrips die toen in Tina werden vertaald en gepubliceerd. Een andere vroege avonturenstrip was 'Vera van de Risco' over de binnenvaart. De verhalen waren goed gedocumenteerd aangezien Klein een vriend met een woonboot had. De tekeningen werden door Nico van Dam gemaakt en tussen 1974 en 1977 verschenen vier verhalen. Andere vroeg werk was een stripbewerking van Johanna Spyri's roman 'Heidi' (1976), getekend door Piet Wijn. Het vervolg 'Heidi en Peter' volgde nog in datzelfde jaar.

Noortje by Patty Klein and Jan Steeman
Eerste Noortje gag, gepubliceerd in Tina #39, 1975 (tekeningen van Jan Steeman)

Kleins bekendste en langstlopende stripreeks voor Tina is de gagstrip over het roodharige meisje 'Noortje', getekend door Jan Steeman. Het personage maakte haar debuut in het 37ste nummer van 1975 en stuntelt nog steeds in Tina's pagina's rond. Op moment van schrijven (2018) is het de langstlopende Nederlandse stripreeks die nog steeds in productie is. Het heeft alle restylingen en incarnaties van het blad overleefd en is nog steeds één van de populairste vaste bijdragen. Destijds was de strip louter als paginavulling bedoeld. Toch sprong het als de enige gagstrip in Tina tussen alle meer serieuze inhoud uit. Het doelpubliek lachte en sympathiseerde met Noortje en zodoende werd ze een icoon voor generaties Tina-lezers. Wie de decennia aan 'Noortje'-verhalen doorbladert krijgt een goed beeld van de veranderende modes, sterren, trends en alle andere belangrijke dingen in het leven van een tienermeisje. Maar de belangrijkste dingen uit haar leven veranderden nooit: haar spinnenfobie, haar vervelende broertje Sander, haar vriendschap met Marlies en natuurlijk haar onhandigheid.

Noortje by Patty Klein and Jan Steeman
Net als Patty Klein heeft Noortje ook dierentuindieren verzorgd! (1993)

'Noortje' is een typisch voorbeeld van Patty Kleins rijke verbeelding. Ze gebruikt dagelijkse situaties en locaties voor een tienermeisje en geeft ze dan een absurde wending. Bijvoorbeeld, wanneer Noortje een kopje suiker gaat lenen eindigt ze aan de deur van een suikerfabriek in plaats van bij een buurtbewoner. Wanneer ze een tip krijgt eens lekker met cola en chips in bad te gaan liggen vult ze de kuip met cola en vraagt zich dan af wat er nu zo speciaal aan is? En als ze deelneemt aan een logeerpartij onder vriendinnen mist ze de hele gebeurtenis omdat ze ogenblikkelijk in slaap valt. Deze gebeurtenissen zouden gewoner lijken in een karikaturale strip, maar het feit dat 'Noortje' semi-realistisch is getekend maakt de situaties absurder en tegelijker herkenbaar voor jonge meisjes. Deze combinatie van humor en realisme maakt 'Noortje' een unieke gagstrip. Klein heeft gezegd dat veel van Noortje's maffe ideeën en onlogische manier van denken uit haar eigen puberteit stammen en het personage als haar alter ego kan beschouwd worden.

Patty Klein and Jan Steeman
Jan Steeman en Patty Klein

Alhoewel de strip al sinds 1975 verschijnt duurde het tot 1994 voor er een daadwerkelijke albumreeks werd gelanceerd. Ondertussen zijn er al meer dan 25 delen verschenen. In 1986 werd Noortje's 500ste blunder gevierd, de 1000ste in 1996 en ter gelegenheid van de 1.500ste gag in 2006 werd er ook een look-a-like wedstrijd georganiseerd. Haar 25ste verjaardag werd in een speciaal themanummer in 2000 gevierd en voor de 40ste verjaardag in 2015 werd een speciaal nummer van Tina uitgebracht met eerbetonen door Gerard Leever ('Suus & Sas'), Jan Vriends ('Roos'), Rene Bergmans ('SfinX'), Bas Schuddeboom ('Tina', 'Jan, Jans en de Kinderen') en Thom Roep ('Madelief'), evenals een hoop editoriale aandacht voor 'Noortje'. Helaas dwongen gezondheidsproblemen Jan Steeman in augustus 2016 na 41 jaar trouwe dienst het tekenen op te geven. Patty Klein zette de belevenissen van het roodharige meisje verder in samenwerking met Jans zoon Lucas Steeman.

Doebidoes
Doebidoes, tekenwerk van Angeles Felices (1987)

De meeste van Patty Kleins andere strips voor Tina werden in Spanje getekend door tekenaars die aan het Creaciones Editoriales agentschap verbonden waren. Jesús Redondo leverde het tekenwerk voor 'Wendy' (1975), een avonturenstrip over een meisje dat haar tantes buitenhuisje erft en geconfronteerd wordt met een gemene en mysterieuze huisbazin. Tussen 1975 en 1982 schreef Patty Klein 14 verhalen rond het circusmeisje 'Mimi' met tekeningen door Edmond. Een andere komische strip die door Klein werd geschreven was 'Pension Woefmiauw' (1978-1983) over een honden- en kattenasiel, met tekeningen van Jose Casanovas. Een andere langlopende stripreeks was over de meidengroep 'Doebidoes' (1979-1997), met tekenwerk van Angeles Felices. Angeles tekende ook de verhalen van receptioniste 'Madelon' in het kluchtige hotel Stending die tussen 1982 en 2003 in Tina verscheen. Klein's derde strip met Angeles was 'Het Huishouden van Janneke Steen' (1991-2008), over een meisje wiens werkloze vader allerlei maffe oplossingen voor huishoudelijke problemen bedenkt. 'Marleen' (1993-1997) was het verhaal over een meisje dat met haar ouders naar de VS verhuist en bevriend raakt met een Navajomeisje. Het tekenwerk werd verzorgd door Emilio Freixas.

Janneke Steen by Patty Klein
Janneke Steen (2006), tekenwerk van Angeles Felices

Behalve eigentijdse verhalen heeft Patty Klein ook een aantal historische reeksen voor Tina geschreven. 'Louis en Louise' (1988-2000), getekend door de Brit Bert Hill, vertelde het verhaal over twee upperclass kinderen die voor hun strenge opvoeding vluchten en de wildste avonturen meemaken. De middeleeuwse reeks 'Blanche en Gijske' (1994-1997, 2005) werd door Aloys Oosterwijk getekend. Met Fred de Heij maakte ze de eerste gagreeks rond 'Fanny' (1994-1997), een overenthousiaste fan van popster Don Key. De Heij zette de reeks later alleen voort. Aanvullend werk voor Tina bevat drie verhalen van 'Marjon en Jonathan' (1987-1989) met Maria Barrera en een aantal losstaande verhalen met tekeningen van Redondo, Freixas, Purita Campos en Lucas Steeman. Patty Klein sprong verder Andries Brandt bij voor één 'Tina en Debbie'-verhaal met tekeningen van Purita Campos. Ze schreef ook de aflevering 'Krokodilletranen' (1985) die kort na Brandts dood verscheen. Patty's zus Conny Möricke heeft in de jaren 1980 and 1920 ook diverse strips voor Tina geschreven, waaronder het laatste verhaal van 'Vera van de Risico' met Nico van Dam (1980-1981), twee verhalen van 'Tina en Debbie' (1988) met Purita Campos, 'Marnie en Sanne' (1986-1995) met Juliana Buch en 'Micky' (1991-2002) met Trini Tinturé.


Speciale tekening van Angeles Felices voor de vijftigste verjaardag van Tina, met personages uit 'Doebidoes', 'Janneke Steen' en 'Madelon'. Patty Klein opende op 23 juni 2017 de Tina-expositie in het Stripmuseum Groningen.

Naast haar werk voor Tina heeft Patty Klein ook aan andere projecten meegewerkt. Samen met Jan van Haasteren maakte ze 'Sjaak en Oom George' (1978-1987), over een jongen en zijn uitvinder-oom. Het verscheen in Studio, de radio- en tv-gids van de Nederlandse omroeporganisatie KRO. Tussen 1982 en 1985 schreef ze meer verhalen met Disney-personages als 'Goofy', 'Tokkie Tor', 'Oom Dagobert', 'Knabbel en Babbel', 'Mickey Mouse' en 'Donald Duck' (tekeningen door Jules Coenen, Studio Comicup, Carol Voges, José Colomer Fonts, Børge Ring, Dick Matena, etc.). Haar laatste werk voor Donald Duck was een 'Pocahontas'-verhaal in 1997. Patty en haar zus Conny schreven verder vele melodramatische en ware verhalen voor magazines als Anoniem, Story en Mijn Geheim.

Patty Klein by Jan van Haasteren
Patty Klein door Jan van Haasteren in jaren 1970

In 1985 was Patty Klein initiatiefnemer voor het verzamelboek 'Tegenaanval' (De Lijn, 1985). Het boek protesteerde tegen de veroordeling van striptekenaar Wim Stevenhagen die zijn militaire dienstplicht weigerde te vervullen. Verschillende cartoonisten maakten een grafische bijdrage tot deze pamfletachtige publicatie, waaronder Willy Lohmann, Fred Marschall, Fred Julsing, Jan Steeman, Gal, IJf Blokker, Berend J. Vonk, Arend van Dam, Peter van Straaten, Peter de Smet en vele anderen (alhoewel in sommige gevallen het herdrukken betrof in plaats van nieuw materiaal). In 1989 werd Klein benaderd om de gagreeks 'Schanulleke' te schrijven, een spin-offstrip over Wiske's lappenpop uit Willy Vandersteens 'Suske en Wiske'. Vandersteen had oorspronkelijk twee langere verhalen met Schanulleke in de hoofdrol getekend, 'Eiko de Wijze Boom' (1986) en 'Schanulleke in de Dierentuin' (1986), waarin ze tot leven gewekt wordt en een sidekick krijgt: de clownspop Duddul. Het was echter Klein die gevraagd werd om het concept in een gagreeks van telkens één pagina om te zetten. Alle afleveringen vinden plaats in een huishoudelijke omgeving, doorgaans het huis of de tuin, waar Schanulleke en Duddul omgaan met antropomorfe dieren, zoals de gestreepte kat Ponpon. Het tekenwerk werd door Eric De Rop voorzien en tien jaar lang in de Stipkrant, Suske en Wiske Weekblad, Okki en Nieuws van de Dag gepubliceerd. Tussen 1990 en 1993 kwamen ook vier albums uit.

Schanulleke
Schanulleke door Patty Klein en Eric De Rop (Suske en Wiske Weekblad #13, 1997)

In latere jaren waren Patty Kleins bijkomstige stripprojecten voornamelijk stripverhalen in opdracht. In 1981 maakte ze de educatieve strip 'Mijn kind heeft astma' met Willy Lohmann. Ze werkte ook opnieuw met Marten Toonder voor twee verhalen met Tom Poes en Olivier B. Bommel in opdracht van het farmaceutische bedrijf Pfizer in 2002 en 2003. 'Tom Poes en de goede gedachte' en 'Tom Poes en de smetvrezers' werden door Wil Raymakers getekend. Haar vernieuwde arbeidsrelatie met Toonder was geen lonende ervaring. Toonder, die toen al in het Rosa Spier-tehuis verbleef, veranderde veel van haar script buiten haar medeweten. Desondanks keerde ze na Marten Toonders dood nogmaals terug naar zijn personages. In 2012 schreef ze het script voor 'Tom Poes en de i-Padden' in opdracht van de Nederlandse Vereniging van Bibliothecarissen. Het tekenwerk was in handen van Gerben Valkema.

Prinses Patty en de kikkers (2006), art by Pieter Hogenbirk and Metin Seven
Prinses Patty en de kikkers (2006), tekeningen van Pieter Hogenbirk en Metin Seven

In 2006 en 2007 creëerde ze 'Ria en Rinus', een strip voor het vijftigplusserstijdschrift Camé met Gerard Leever. Leever en Klein hebben daarbovenop nog een stripreeks rond openbaar vervoer gemaakt die 'Dré en Gré in 't OV' heette. Deze strips werden in 2007 in de huis-aan-huiskranten in Gelderland gepubliceerd. Samen met Aloys Oosterwijk maakte ze het boek 'Werk en Bijstand in Amsterdam' (2003) voor de Sociale Dienst Amsterdam, dat ook in het Engels en Turks verscheen. 'Lila & Kross' (2004) was een educatieve strip over openbaar vervoer voor kinderen en migranten, geschreven door Klein en getekend door Eric Heuvel. Patty Klein droeg verder bij tot de verhalen 'Prinses Patty en de kikkers' (tekeningen door Pieter Hogenbirk en Metin Seven) en 'Na het sprookje...' (tekeningen door Floor de Goede en Margreet de Heer) in het collectieve sprookjesboek 'Sprookjes in Strookjes' (2006). Haar kortverhaal 'Een drakerige jonkvrouw' (2012) werd door Marlon Teunissen getekend en in P@per, de stripbijlage van Brabant Strip Magazine, gepubliceerd. Toen Jan van Haasteren gasthoofdredacteur was van het tweede nummer van de Stripglossy (september 2016) schreef Klein nieuwe verhalen rond 'Baron van Tast' (tekeningen van Van Haasteren) en 'Sjaak en oom George' (tekeningen door Dick Heins).

De ziel is een pannenkoek

Behalve strips schrijven heeft Klein ook sinds de jaren 1990 het schrijven van poëzie hervat. Ze volgde een dichtcursus aan 't Colofon in Amsterdam, evenals een cursus liedjes schrijven door Jan Boerstoel. Gezien ze destijds getrouwd was gebruikte ze haar getrouwde naam Patty Scholten om haar poëzie van haar stripwerk te onderscheiden. Haar gedichten, vooral sonnetten, werden in tijdschriften als De Tweede Ronde gepubliceerd en ze heeft ze ook voorgedragen tijdens literaire festivals. Sinds 1995 heeft Atlas-Contact diverse bundels gepubliceerd. Voor veel van haar poëzie keerde ze terug naar haar roots. Zowel 'Het dagjesdier' (1995) en 'Ongekuste Kikkers' (1997) zijn gevuld met poëzie rond dierentuindieren. Ze heeft ook een bundel geschreven rond de 17de eeuwse VOC handelaar Rumphius ('Een Tuil Zeeanemonen', 2000). Een Engelse vertaling van haar werk door James Brockway heette 'Elephants in Love and other Poems' (2000) en werd door London Magazine Edition uitgegeven. In 2002 onderwees ze poëzie aan de Michigan University in Ann Arbor als "Dutch Writer-in-Residence". De Amerikaans natuur inspireerde haar voor haar bundel 'Bizonvoeten' (2004). Klein heeft verder als poëzieleraar gewerkt aan de Schrijversvakschool in Amsterdam. Haar meest persoonlijke werk is waarschijnlijk 'De ziel is een pannenkoek' (2011), een openhartige autobiografie in sonnetten. Ze schreef nadien sonnetten over haar opa Ben Geijsel, een multimuzikant die tijdens de jaren 1920 en 1930 bekendheid genoot in Berlijn.

Patty Scholten werd tweemaal genomineerd voor de VSB Poëzieprijs, in 1996 en 2001, en was ook genomineerd om Dichter des Vaderlands te worden. Het Stripschap beloonde haar in 2012 met de Bulletje & Boonestaakschaal voor haar bijdragen aan de Nederlandse strip. Klein levert nog steeds haar tweewekelijkse script af voor 'Noortje' in Tina. Ze woont en werkt in Doorwerth, Gelderland.

De Uil

Op stokjes balanceert een bol van pluis.
Hij bestudeert het voedsel in zijn kooi:
Een muizenlijkje - nooit gevangen prooi.
En hij begint te dansen voor de muis.

Hij stapt naar voren, stapt weer terug en buigt,
tuurt sluiks naar mij met tobberige ogen,
herhaalt de passen, en wordt weer gebogen;
een laatste eer, aan 't kleine lijk betuigd.

Ik hoor soms in een stille winternacht
het klaaglied van een uil op knaagdierjacht
hier in de eikenbossen rond de huizen.

Een tweede stem valt in. Eerst schril, dan zacht.
Ik weet nu wat er in het duister wacht:
de uilen dansen voor hun dode muizen.


Het augustus 2017 nummer van Stripnieuws was volledig gewijd aan Patty Kleins vijftigjarige carrière als stripschrijver. Voor de cover maakte Jan van Haasteren dit nieuwe portret.

Herinneringen aan de Toonder Studio's

Engelse biografie in de Comiclopedia

Register van tekenaars