Stripgeschiedenis

1960-70 Herwaardering

Iris, door Thé Tjong-Khing
Plaatje uit 'Iris', geschreven door Lo Hartog van Banda, getekend door Thé Tjong-Khing, 1968

Wanneer de publieke belangstelling voor het beeldverhaal een dieptepunt lijkt te hebben bereikt, wijdt papierfirma Proost en Brandt NV, op voorstel van P. Hans Frankfurther, een nummer van het huisorgaan ('Proostprikkels' 261, febr. 1962) aan het beeldverhaal.

Proostprikkels

betoog van Marten ToonderNiemand minder dan Marten Toonder verzorgt het tekstgedeelte. Hierin werpt hij zich op als voorvechter van het stripverhaal, en betoogt dat het beeld (en hiermee het stripverhaal) in één opzicht superieur is aan het geschreven woord - daar waar het woord nog wel eens aan eenduidigheid te wensen over laat, vooral "sinds politici, reclamedeskundigen en radiosprekers er in het openbaar gebruik van maken", biedt het plaatje een objectief beeld van een situatie. "De mens is vermoeid geraakt door de gigantische letterbrij die hem in kranten en romans nu al een eeuw lang worden voorgeschoteld en hij neemt zijn toevlucht tot de meest primitieve vorm van plaatjeslectuur," aldus Toonder - waarbij hij opmerkt dat 'primitief' niet gelijk staat aan inferieur, en dat er grote kwalitatieve verschillen zijn in strips onderling.

Aan deze baanbrekende publicatie over het beeldverhaal werd een tentoonstelling gekoppeld in het Stedelijk Museum van Amsterdam (13-24 febr. 1962), die een enorm succes had.

Toonder in de Avro bodeEen AVRO-Bode gewijd aan het televisie-interview met Marten Toonder (24 maart 1963)

Dag van de Strip, 1968De eerste 'Dag van de Strip' in 1968. Marten Toonder ontvangt de Gouden Schicht uit handen van prof. mr. L.G.A. Schlichting. Hiermee werd Toonder erelid van het pas opgericht Stripschap. Midden: glunderende initiatiefnemer P. Hans Frankfurther.

Langzaamaan komt er dan een kentering in de tot dusver vrij negatieve waardering van het beeldverhaal. De pop-art, een nieuwe richting in de beeldende kunst, van oorsprong afkomstig uit Amerika, vestigt de aandacht op de grafische mogelijkheden van het uit het stripverhaal gelichte beeld. Het werk van Roy Lichtenstein en Rauschenberg, hier te lande geëxposeerd, maakt dat men onvermoede kwaliteiten ontdekt in het zo verguisde beeldverhaal. Men neemt door deze gigantische vergrotingen van losse afbeeldingen nu ook de moeite het Nederlandse beeldverhaal eens wat nauwkeuriger te bezien. De reclamewereld zal op deze trend inspringen door het veelvuldig gebruik van uitvergrotingen, grove korrel en balloon.

Roy Lichtenstein
Roy Lichtenstein

Op 1 november 1965 wordt in Amsterdam de Stichting Jeugdsentiment 'De Jaren Vijftig' opgericht. In de eerste tentoonstelling van de stichting wordt veel aandacht geschonken aan stripverhalen uit de jaren '50. Velen uit de generaties van vlak voor en uit de oorlog gaan naar huis, verzonken in herinneringen, om vervolgens de Erics, Robs en Tom Poezen van zolder te halen. Veel blijkt weggegooid, nog steeds uitgeleend, in ieder geval voorgoed verloren. De strip wordt verzamelobject.

StripschriftStripschrift

Het Stripschap, Nederlands centrum voor belangstellenden in strips, wordt opgericht op 11 oktober 1967 te Amsterdam. Nog in hetzelfde jaar verschijnt het tijdschrift van de kersverse vereniging, Stripschrift genaamd. Aanvankelijk beslaat het blad slechts enkele gestencilde velletjes, maar gaandeweg zal het uitgroeien tot een waar vakblad.

Uitnodiging opening Lambiek, 1968

Op de eerste dag van de opheffingstentoonstelling van de Stichting Jeugdsentiment, (8 november 1968), opent op Kerkstraat 104 te Amsterdam het Eerste Nederlandse Stripantiquariaat 'Lambiek', dat in 2008 met gepaste trots zijn veertigjarig bestaan kon vieren.

Opening Lambiek, 19688 november 1968: Willy Vandersteen (rechts) opent stripantiquariaat Lambiek. Midden: eigenaar Kees Kousemaker, links: zijn vrouw Evelien Kousemaker.

Kees Kousemaker en Lambiek (1968)
Kees Kousemaker voor de eerste locatie van Lambiek, op Kerkstraat 104.

Lambiek sticker
Een van de eerste drukwerken van Lambiek, een heuse sticker (1968)

Al deze zaken dragen er toe bij, dat het beeldverhaal in de belangstelling van een groter publiek komt te staan. Radio en televisie besteden aandacht aan het herontdekte medium. De kranten, ook de 'degelijke', wijden er artikelen aan. Uitgevers haken in op de hernieuwde belangstelling en brengen herdrukken uit van 'Tom Poes' (De Bezige Bij), 'Kapitein Rob' (Luitingh) en 'Eric de Noorman' (Wolters/Noordhoff). Later zal ook het Algemeen Handelsblad volgen met een nieuwe uitgave van 'Bruintje Beer'. De gevestigde boekhandel maakt plaats vrij voor een uitgebreide strip-collectie. Strips raken 'in'.

Hitweek 1968, cover Thé Tjong-Khing

Het muziekblad Hitweek (vanaf 1969 Aloha) komt eind 1968 met het volgende artikel:

"De tijd dat de strips door de ouders uit onze handen werden gerukt is voorbij. De tekstschrijver van de Marten Toonder Studio's, Lode Hartog van Banda, zegt daar het volgende over:

'Onder invloed van de moderne kommuikaatsiemiddelen heeft er een verschuiving plaats van woordlezen naar beeldlezen. Een andere vorm van lezen dus, die met luiheid niets te maken heeft. Het zou erger zijn, indien deze verschuiving denkluiheid bevorderde, maar we zien eerder het tegendeel. De jongeren zijn sociaal meer bewogen dan in vroegere generaties. De hele wereld raakt hen, omdat zij de hele wereld kunnen zien. (...)'

De laatste tijd is er een nieuw soort strip opgekomen: de luxe strip voor volwassenen. Uitgegeven door deftige uitgeverijen en krankzinnig duur. (...) In bijna al die strips wordt de hoofdrol vertolkt door een lekker wijf. Een aardige chick of een mooie vrouw. Wat je maar wil. In al die strips lopen zeer veel blote vrouwen rond. Vroeger kwamen er bijna nooit vrouwen in beeldverhalen voor maar nu zijn zeniet meer weg te slaan. Die vrouwen zijn behalve naakt ook nog wulps, wreed, masochisties, sadisties, over-sexed en gewetenloos. Allemaal ingrediënten die vroeger taboe waren."

Real Free PressReal Free Press logo, door Joost Swarte
Hierboven: het logo van de Real Free Press, gemaakt door Joost Swarte
Hiernaast: Olaf Stoop en Martin Beumer van de RFP

Olaf Stoop begon zijn activiteiten in de roerige Provo-periode. Hij werkte mee aan publicaties als de Witte Krant en de Papieren Tijger en tekende de strip 'Rosa', waarin een boekje werd opengedaan over de zogeheten geestverruimende middelen, die ten burele ook regelmatig werden geserveerd. Zo werd zijn winkeltje in de Amsterdamse Runstraat onder de naam Real Free Press een bolwerk voor de alternatieve scene.

Beroemd waren de RFP Illustraties, waarvan zes nummers verschenen, die geheel met de hand werden geletterd door Olaf Stoop en waarin de Nederlandse stripliefhebbers voor het eerst geconfronteerd werden met Amerikaanse undergroundstrips (Will Eisner, Robert Crumb, Wallace Wood) en Amerikaanse krantenstripklassieken zoals die van Herriman, McCay, McManus en Bud Fisher.

In 1973 wordt de Real Free Press een stichting om ongehinderd door economische motieven haar activiteiten te kunnen voortzetten. Naast een actief import-beleid van de underground uit Amerika, Spanje en Frankrijk, gaf de RFP ook eigen boeken uit, waaronder 'de Papalagi', geillustreerd door Joost Swarte en de Modern art van dezelfde kunstenaar.

Strip voor Strip, 1970In 1970 verschijnt het boek 'Strip voor Strip', van Kees Kousemaker en Maria Willems, "een verkenningstocht in de speelse wereld van het stripverhaal", waardoor het Nederlandse publiek in staat werd gesteld een beeld te krijgen van de rijke geschiedenis van het Nederlandse stripverhaal.