Stripgeschiedenis

Hans G. Kresse

Hans G. Kresse wordt tot de belangrijkste en invloedrijkste Nederlandse stripauteurs gerekend. Hij werd beroemd als de auteur van de krantenstrip 'Eric de Noorman' (1946-1964), over de avonturen van de beroemde Vikingkoning Eric. Deze epische middeleeuwse avonturenreeks betoverde lezers met adembenemend tekenwerk, levendige personages, spannende verhalen en atmosferische illustraties. De aanvankelijke fantasystrip werd door Kresse naar een hoger niveau getild door de verhalen in historische realiteit te laten plaatsvinden. De auteur deed uigebreid onderzoek om elk detail over de tijdsperiode exact juist te krijgen. Het eindresultaat is één van de tijdloze klassiekers van de Nederlandse strip en één van de weinige die ook in vertaling succes kende: Erics avonturen verschenen zowel in Europa, Zuid-Afrika, Argentinië, Brazilië en de voormalige Nederlandse koloniën. Naast 'Eric' creëerde Kresse ook andere historische strips, zoals de spin-off 'Erwin de Noorman' (1966-1973), de Napoleontische detectivereeks 'Vidocq' (1965-1970), de Indianenstrip 'Matho Tonga' (1948-1949, 1954, 1970) en verschillende andere titelloze verhalen rond Indianen. De getalenteerde artiest was verder een veelgevraagd illustrator voor boek en tijdschriften. Zijn invloed op realistisch getekende strips in de Lage Landen is onmetelijk. Samen met Marten Toonder en Pieter J. Kuhn wordt hij tot de "Grote Drie" van de Nederlandse Strip gerekend. Maar terwijl velen zijn stijl probeerden te imiteren, wisten maar weinigen hem te overtreffen.


'Matho Tonga'.

Jonge jaren
Hans Georg Kresse werd op 3 december 1921 in Amsterdam geboren als de zoon van een in Duitsland geboren orkestviolist en een Nederlandse telefoniste. Twee jaar na zijn geboorte scheidden zijn ouders. Kresse werd opgevoed door zijn moeder en heeft zijn biologische vader nooit gekend. De jongen leerde voor timmerman, maar toonde ook tekentalent. In Haarlem kreeg hij lessen van de beeldhouwers Mari Andriessen en Jan Bronner, evenals van schilder Henri Frédéric Boot. In zijn jeugd las hij al strips, maar zijn interesse ging aanvankelijk meer uit naar beeldhouwen. Tot zijn grafische invloeden behoren Harold Foster ('Tarzan', 'Prince Valiant') en Alex Raymond ('Flash Gordon'), die beiden een grote impact op zijn realistisch getekende avonturenreeksen hadden. Kresse was zestien jaar oud toen zijn eerste strips in het scoutsblad De Verkenner verschenen. Zijn eerste reeks, 'Tarzan van de Apen' (1938-1940) was fanfictie gebaseerd op de gelijknamige oerwoudheld. Iets origineler was zijn westernstrip 'Tom Texan' (1940). Rond dezelfde tijd illustreerde Kresse ook de scoutsgids 'Lassowerpen en Touwdraaien' (1939). Het was een vertaling van het Amerikaanse boek 'How to spin a rope', maar dan met illustraties in plaats van foto's. Nadien vond hij in Haarlem werk als reclamebordschilder.


'Tarzan van de Apen'.

De Tweede Wereldoorlog
In de herfst van 1940 solliciteerde Kresse voor een baan bij de studio van Marten Toonder. Toonder had al verschillende strips in lokale bladen publiceerd, maar probeerde nu een eigen studio op richten. De timing was perfect, want de Tweede Wereldoorlog sneed de import van Amerikaanse en Brise strips af, waardoor er meer vraag naar lokaal geproduceerde strips was. Toonder bewonderde Kresse's oog voor visueel perspectief en karakteruitwerking. Maar de maestro vond dat de jongeman wel wat meer training kon gebruiken en stelde voor 'm later opnieuw te contacteren. Kresse werd daarop een illustrator voor Kampeer Kampioen, een uitgave van de ANWB, en een ontwerper van boekcovers voor Boekenbedrijf Arena in Haarlem. In 1941 ontving hij een onverwachte brief in zijn bus. Ze kwam niet van Toonder, maar van de Duitse legerrecrutering. Tot zijn verbazing werd hij niet beschouwd als Nederlands staatsburger, maar als Duitser! Zijn vader had zich nooit laten naturaliseren en, volgens een Nederlandse wet uit 1892, was zijn Nederlandse moeder Duits puur omdat ze met een Duitse man was gehuwd. Hierdoor werden haar kinderen als vanzelf ook als Duitsers beschouwd. Het meest angstaanjagende was dat Kresse nu verondersteld werd in het Duitse leger te dienen.


'Tom Texan'.

De verbaasde jongeman ging naar het rekruteringskantoor in Parderborn, maar ontsnapte aan zijn legerdienst door een zenuwziekte te veinzen. Hij was zo overtuigend dat men officieel "gek" noemde en wegstuurde. Maar hij kwam er niet volledig onderuit. Hij moest regelmatig een Duitse militaire arts bezoeken om na te gaan of zijn toestand niet verbeterd was. Na een tijd hoefde Kresse niet eens meer spelen dat hij een mentaal wrak was! Hij besefte dat hij een vaste baan nodig had die hem te waardevol zou maken om naar het front te sturen. Kresse vond er een bij Nederland Film (later: Bavaria Film), een filmstudio onder nazi-supervisie. Het bedrijf had een low-budget animatiestudio, waar hij het vak leerde van Henk Kannegieter. Er is vaak beweerd dat Kresse aan de antisemitische animatiefilm 'Van den Vos Reynaerde' (1943) van Egbert van Putten werkte, maar volgens Gerrit Stapel was dit incorrect. Nederlandse stripauteurs die vermoedelijk wel aan deze film werkten waren Jan Bouman, Joop Du Buy en Stapel zelf. Terwijl het leger hem voorlopig met rust liet, was hij nog steeds niet van zijn stress verlost. Hij werkte in wezen in het hol van de leeuw, voor een ideologie die hij niet aanhing. In 1942 ontdekte zijn moeder dat Toonders studio ook animatoren zocht. Verheugd dat hij kon gaan werken voor het bedrijf waar hij in eerste instantie al naartoe wilde, solliciteerde hij opnieuw. Ditmaal werd hij aangenomen. Het enige probleem was dat Kresse eerst zijn contract met Nederlandse Film moest opzeggen. Daar had men gedreigd hem naar Duitsland te sturen indien hij de overeenkomst verbrak. Gelukkig kon Toonder wachten en garandeerde hij Kresse dat direct zou worden aangenomen als zijn termijn afgelopen was. En zo geschiedde.

In mei 1943 sloot Kresse zich samen met Nederland Film-collega's Hans Keuris en Francis Paid aan bij de Toonder Studio's. Eerst kwam hij op de animatieafdeling terecht, waar hij meewerkte aan een reclamefilm voor Andrélon en de onafgewerkte langspeelfilm 'Tom Puss. Das Geheimnis der Grotte'. De getraumatiseerde Kresse kon echter maar moeilijk in teamverband werken. Daarom werd hij naar de strip- en illustratieafdeling gestuurd, waar Carol Voges en Wim Lensen zijn collega's werden. Samen met Cees van der Weert, Henk Kabos en Frans van Lamsweerde illustreerde hij het prentenboek 'Pinneke Proost' (1943) voor het jenevermerk Kabouter. Hij werkte ook aan wat proefafleveringen voor Toonders strip 'Kappie', die pas na de oorlog van start ging, net als Kresse's eigen strip 'Robby'. Hij werkte tevens aan persoonlijke projecten. Samen met oud-Nederland Film-collega Han van Gelder tekende hij de one-shot stripverhalen 'Per Atoomraket naar Mars' en 'Ditto en de Draak in de Grot', geschreven door de gepensioneerde leraar H.G. Haakenhout. Tussen 1943 en 1944 tekende Kresse een realistische strip rond de Duitse legende 'Siegfried'. Deze verscheen echter onder de naam van collega Henk Zwart, aangezien Kresse zich moest schuilhouden voor de Duitsers. De strip werd gepubliceerd in het tweewekelijkse kinderblad Jeugd, dat onder nazicontrole stond. Aan het andere ideologische uiterste maakte de drukbezette tekenaar ook illustraties voor het verzetsblad Metro en de uitgeverij D.A.V.I.D.. Daarnaast vervalste hij officiële documenten voor de verzetsgroep van Dick van Veen.

Bevrijding
In september 1944 bevrijdden de geallieerden het zuiden van Nederland, maar het kostte nog een half jaar alvorens het noorden ook vrij was. Aanggezien Toonders studio zich in het bezette gedeelte bevond veranderde er aanvankelijk weinig. Toen Toonder vernam dat de hoofdredacteur van zijn opdrachtgever De Telegraaf door een nazi-officier was vervangen besloot hij zijn strip te stoppen. Toonder begreep dat de Duitsers aan de verliezende hand waren en het beter zou zijn zowel zichzelf als zijn studio zo snel mogelijk van hen te distantiëren. Op 5 mei 1945 werd de rest van Nederland eindelijk bevrijd. Toonder werd nog steeds van collaboratie beschuldigd, maar kon een vonnis vermijden door aan te tonen dat hij met zijn medewerkers in het geheim voor het verzet hadden gewerkt. In het geval van Kresse geval was de situatie iets complexer. Op een dag arresteerden geallieerde troepen hem wegens bezit van "verdachte" voorwerpen, zoals een NSB-insigne en documenten die hem van Duitse legerdienst vrijpleitten. Hij werd naar een krijgsgevangenenkamp gestuurd, maar Dick van Veen bezocht de gevangenisdirecteur persoonlijk om zijn vriend van alle klachten vrij te spreken. Nu hij eindelijk weer vrijuit kon ademen trouwde Kresse datzelfde jaar nog met zijn vriendin...

Robby, by Hans G. Kresse

Naoorlogse strips
In 1945 verscheen Kresse's humoristische dierenstrip 'Robby' (1945-1946) in Trouw, zij het een lokale editie die enkel in Den Haag verscheen. Tussen 4 september 1945 en 8 april 1946 werden drie verhalen gepubliceerd: 'Robby en de Robijn van den Hertog', 'Robby en het Wintermysterie' en 'Robby en de Schat van de Inca Beren'. Het was een tekststrip, geschreven door Kresse en Dirk Huizinga, met bijdragen van Wim van Wieringen en Cees van de Weert. De held was een beertje, duidelijk door Toonders eigen dierenstrips beïnvloed. Toen de non-Toonderstrips die hij tijdens de oorlog had gemaakt eindelijk in druk verschenen kon de tekenaar eindelijk zijn eigen stem laten horen. Kresse en Van Gelders humoristische sciencefiction-verhaal 'Per Atoomraket naar Mars' (1946) en de fantasiestrip 'Ditto en de Draak in de Grot' (1946) werden door J.A. ten Klein Jr. in Amsterdam als stripboekjes uitgebracht. Vooral 'De Gouden Dolk' (Buijten en Schipperheijn, 1946) en 'De Grote Otter' (1947), zijn eerste strips over Indianen, vertoonden een knap staaltje van zijn tekentalent. Tezelfdertijd publiceerde Kresse een andere krantenstrip in zowel De Nederlander, christelijk-historisch dagblad voor Nederland, en Het Dagblad voor het Koninkrijk der Nederlanden, genaamd 'De Lotgevallen van Detectief Kommer' (9 december 1947 tot 29 januari 1948). Deze detectivestrip was gebaseerd op een oud, ongebruikt script door Toonder, maar herschreven door productiechef Dick Tonnis (1914-1985). Een tweede verhaal verscheen in 1949 in Tom Poes Weekblad. Helaas bleek de werklast te zwaar, waardoor 'Detectief Kommer' na slechts twee verhalen afgebroken werd om Kresse wat rust te gunnen.

Eric de Noorman
Het was niet zo vreemd dat Kresse een burn-out kreeg. Toonder zag hem als zijn meest getalenteerde tekenaar. Hij drukte zelden bewondering uit voor zijn medewerkers, maar Kresse was één van de weinigen die hij regelmatig prees tijdens interviews. De enige keerzijde was dat Toonder hem bijna elke opdracht schonk. Kresse moest vaak tot diep in de nacht werken om zijn deadlines te halen. En hoewel hij het niet erg vond om grappige dierenstrips te maken vroeg hij zijn baas of hij 'm iets uitdagender kon geven. Een dramatische stripreeks, bijvoorbeeld. Het idee beviel Toonder. Kresse wilde een historische avonturenreeks maken die zich in de middeleeuwen afspeelde. In plaats van ridders verkoos hij de vroege middeleeuwen, tijdens het Vikingtijdperk. De held zou de jonge, sterke en intelligente Vikingvorst "Leif" worden. Nederland kent een eeuwenlange zeevaarderstraditie en verhalen over zeelieden hadden gegarandeerd succes. Pieter J. Kuhns 'Kapitein Rob' (1945-1966) was al een hit in Het Parool, terwijl Toonders eigen 'Kappie' (1945-1972) dezelfde maand met even grote populariteit debuteerde. Het idee van een Vikinghoofdman die in zijn drakar de zeeën doorkruiste leek dus commercieel interessant. Toonder wilde echter een reeks die zich in het verloren continent Atlantis afspeelde, met plots rond dwergen, reuzen en andere mythische wezens. De heren combineerden de concepten, hoewel Toonder Kresse's Leif in Eric veranderde. Van meet af aan was 'Prince Valiant' van Hal Foster de voornaamste inspiratiebron. En qua status zou 'Eric de Noorman' uiteindelijk het Nederlandse equivalent van 'Prince Valiant' worden...


'De Steen van Atlantis', toen nog met sciencefiction-elementen.

Aanvankelijk toonde echter geen enkele Nederlandse krant of blad interesse voor de noormannenstrip. Kresse had voornamelijk in Toonders schaduw gewerkt en was zodoende voor velen een nobele onbekende. De meeste Nederlandse bladen verkozen humoristische kinderstrips over kabouters en grappige dieren en 'Eric' paste in geen van beide categorieën. Uiteindelijk moest de studio de grens over, waar de Vlaamse krant Het Laatste Nieuws bereid was de reeks een kans te geven. Op 6 juni 1946 debuteerde 'Eric de Noorman'. Kresse had geluk, want een jaar later zou de Belgische stripindustrie exploderen en de markt verzadigen met stripreeksen van eigen bodem. Maar destijds herstelden vele Belgische bladen en kranten nog van de oorlog en was er behoefte aan jong talent. Vooral Het Laatste Nieuws, dat nog geen eigen succesvolle strip hadden.

'Eric de Noorman' is een epische vikingsaga. De onkreukbare, goedhartige en nobele koning Eric is de held. Samen met zijn prachtige vrouw Winonah heeft hij één zoon, de opvliegende Erwin, die zich vaak in de nesten werkt. Eric voert een kleurrijke groep helpers aan. Hij wordt bijgestaan door Pum Pum de dwergknecht, Orm de morsige roerganger, Svein de strijdlustige krijger, Cendrach de veteraan-scheepsbouwer en zijn dochter Branwen. Yark en Halfra zijn edelmannen met verschillende karakters. Yark is knorrig, terwijl Halfra snobistisch is en zich vaak verspreekt. Axe en zijn vrouw Aranrod zijn in principe vrienden van Eric, maar hebben door hun competitieve instelling regelmatig ruzie met hem. Toch zijn de ware slechteriken van de strip de piratenkapitein Ragnar, prins Baldon en Lauri, de tovenaar die altijd in een mantel gekleed loopt. In hetzelfde jaar als Erics Belgische debuut verscheen de reeks in het Deense blad Kong Fylie en het Zweedse Vecko Nytt, onder de titel 'Erik Vidfare'. Noorse en IJslandse vertalingen volgden. Toonders zakenpartner Anton De Zwaan had terecht ingeschat dat een vikingstrip het zeer goed zou doen in Scandinavische landen.


Eric de Noorman - 'De Zoon van Eric'.

Het eerste verhaal, 'De Steen van Atlantis', introduceert Eric als de zoon van koning Wogram. Hij wordt opgedragen een bruid te zoeken in het verafgelegen land Franconia. Eric zeilt weg en ontdekt Atlantis, waarbij Kresse en Toonders verschillende concepten in één plotlijn samenkomen. Toonder wilde dat 'Eric' een fantasiestrip werd, maar Kresse was meer geïnteresseerd in een historische aanpak. Toen vertrouwde hij echter nog op Toonders professionele ervaring. Aan het slot vindt Eric zijn ideale vrouw, Winonah, met wie hij trouwt. Alles was getekend door Kresse, terwijl zijn moeder de teksten uittypte. Tussen 1946 en 1951 werden de plots in samenwerking met Toonder bedacht, terwijl Jan Gerhard Toonder, Dirk Huizinga, Waling Dijkstra en Lo Hartog van Banda met de onderteksten hielpen. Nadien hield Kresse zich hier zelf mee bezig.


'De wolven van Scorr'.

Eric de Noorman: succes
'Eric de Noorman' viel in de smaak bij Vlaamse lezers. Op 25 april 1951 lanceerde Het Laatste Nieuws zelfs een apart jeugdblad, genaamd Pum-Pum, naar het dwergpersonage uit de strip. Kresse publiceerde vanzelfsprekend ook in dit blad. Hij creëerde de spin-off 'De Jeugd van Eric', met assistentie van Dick de Wilde. Iets minder dan twee jaar verscheen Pum-Pum als een apart blad, maar op 25 februari 1953 werd het een gratis woensdagsupplement bij Het Laatste Nieuws. Datzelfde jaar speelde Kresse 'De Jeugd van Eric' door aan Gerrit Stapel. Pum-Pum liep tot 11 januari 1967. Kresse maakte de populariteit van 'Eric' aan de lijve mee toen hij in België een verkeersovertreding maakte. Toen de agent zijn identiteitskaart las, herkende hij zijn naam en was meteen onder de indruk. Zo erg zelfs dat Kresse zonder boete mocht doorrijden!

Alhoewel 'Eric de Noorman' het goed deed in Vlaanderen duurde het tot 28 november 1947 alvorens Nederlandse lezers de held leerden kennen. Hij moest in het eerste nummer van Toonders eigen Tom Poes Weekblad debuteren, want andere Nederlandse publicaties bleven ongeïnteresseerd. Slechts toen de reeks er bijval kreeg, startte hij in 1948 in een Nederlandse krant: De Nieuwe Haarlemsche Courant. Andere kranten volgden spoedig. Tegen 1949 was 'Eric de Noorman' al populair genoeg om door Het Vrolijk Toneel onder leiding van Riny Blaaser als toneelstuk opgevoerd te worden.


Eric de Noorman - 'De Gouden Droom'.

Stijl en tekenwerk
Net als veel andere Nederlandse krantenstrips uit die tijd, verscheen ook 'Eric de Noorman' als tekststrip, waarbij de dialogen onder de afbeeldinge werden gedrukt. Alle afleveringen werden in zwart-wit afgedrukt. Jaren later zou Kresse enkele verhalen inkleuren en omvormen tot ballonstrip. Maar de meeste fans zijn het erover eens dat de zwart-wit tekststrip de enige manier is om de reeks echt te ervaren en waarderen. Kresse was een meester in licht- en schaduweffecten. Zijn personages worden getoond in krachtige zwart-wit contrasten, wat zijn tekeningen hetzelfde gevoel geeft als een klassieke stille film. Sommige realistische strips uit dezelfde periode zien er vaak stijf en onovertuigend uit. 'Eric de Noorman' sprak daarentegen als geen ander tot de verbeelding. Elke scène zag er haast fotografisch uit, alle actie filmisch en zijn papieren personages voelen als echte mensen aan. Kresse's karakters vertoonden een levendigheid die zelden in andere strips te zien wa. Vanaf 1949 gebruikte Kresse borsteltechnieken, wat zijn werk nog eleganter maakte. Door het tekststripformat konden lezers zijn prachtige en atmosferische illustraties in hun volle glorie bewonderen. Marten Toonder vatte het in zijn voorwoord voor een heruitgave van het verhaal 'De Geschiedenis van Bor Khan' (1988) het best samen: "Ik geloof niet dat het epos tot zulke proporties zou zijn uitgegroeid, wanneer het als balloon-strip zou zijn verteld. Niet in het hoofd van Kresse, en ook niet in de fantasie van zijn ontelbare fans."


Eric de Noorman - 'De zwarte piraat'.

Eric de Noorman: Historische juistheid
Kresse verhoogde de geloofwaardigheid van de strip door ze in de historische realiteit te gronden. Tot en met 1951 was 'Eric de Noorman' een pure heroïsche fantasiereeks. Hij tekende de middeleeuwen zoals de meeste mensen het zich voorstelden, zonder zich om enige historische accuraatheid te bekommeren: Eric kwam tovenaars, draken en kabouters tegen. Het verhaal 'Schipbreukelingen in Rome' (1950) was een keerpunt. Aangezien het plot rond de echte Romeinse keizer Commodus draaide, voelde de tekenaar zich genoodzaakt om meer documentatie te verzamelen. Vanaf dat moment deed hij meer geschiedkundige research. Toonders zakenpartner Anton De Zwaan nam Kresse zelfs mee op reis door Scandinavië, waar de striptekenaar nog meer documentatie verzamelde, zoals een miniatuurmodel van een drakar. Alle sword & sorcery verdween uit de reeks. Eric raakte betrokken in oorlogen tegen Kelten, Picten, Saksen en Schotten, waarbij hij historische personages als Attila de Hun ontmoette. In het verhaal 'De Wolf en de Havik' (1955) ontdekt Eric dat zijn kasteel is vernietigd, waarop hij zijn intrek neemt in een soberdere hut. Kresse nam deze beslissing om zijn held een authentiekere woning te geven. Ook de magische dwerg Pum Pum verdween uit de reeks. Het enige wat Kresse niet kon aanpassen was Erics titel "koning van Noorwegen". Historisch gezien bestond Noorwegen nog niet als natie, maar hij liet het zo uit gemakzucht. De tekenaar ging zo ver in zijn hang naar realisme dat zijn personages ook verouderden en zelfs stierven. Ook Eric werd ouder naarmate de tijd verstreek. Destijds was dit gegeven niet ongewoon in Amerikaanse strips, maar in Europa was Kresse een pionier.

Censuur en inkortingen
Tijdens de late jaren 1940 en gedurende de jaren 1950 werden de meeste strips in Nederland beschouwd als pulp die de jeugd corrupt en leeslui maakten. 'Eric de Noorman' was één van de weinige strips die aan dit vooroordeel wist te ontsnappen. Collega's roemden de meesterlijke tekeningen en historici erkenden de geschiedkundige juistheid. Door het tekststripformat las 'Eric de Noorman' eerder als een literair epos dan als een strip. De reeks werd nog populairder door de kleine en goedkope boekjes in oblongformaat die een heel verhaal bundelden. Terwijl het niet de enige Nederlandse strip was die op deze wijze werd uitgegeven, worden dergelijke boekjes voornamelijk met 'Eric de Noorman' geassocieerd en door verzamelaars gekoesterd. Desondanks werden veel verhalen voor deze uitgaven onzorgvuldig bewerkt. Om de tekeningen in de oblongvormige boekjes te passen, knipte men delen ervan gewoon weg en werden verhalen vaak onbegrijpelijk ingekort. Terwijl 'Eric de Noorman' ongecensureerd in Vlaamse kranten verscheen, namen de preutse Nederlandse moraalridders aanstoot aan bepaalde "erotisch suggestieve" scènes. Sommige mannelijke personages liepen rond met ontbloot bovenlijf of in kilt, terwijl de rondborstige vrouwen jurken droegen die heel wat vel toonden. Soms werden bepaalde afbeeldingen bijgetekend om al te ontblote lichaamsdelen te verbergen. Soms maakten de bewerkers op klungelachtige wijze alles zwart, zodat het leek of deze personages pikzwarte toga's droegen. Sommige verhalen werden in Nederland zelfs niet uitgebracht, waardoor verwarde lezers de continuïteit niet langer begrepen.

Eric de Noorman: internationaal succes
Ondertussen veroverde 'Eric de Noorman' de rest van de wereld, alhoewel de strip voor sommige landen tot een ballonstrip werd bewerkt. De strip verscheen als 'Eric l'Homme du Nord' in de Waalse krant Le Soir en onder de titel 'Eric le Brave' in de Franse bladen Aventures Boum, Vécu, Récréation en Pierrot Champion. Britse lezers volgden 'Eric de Noorman' in de BLiverpool Echo en The Evening Express. In Duitsland volgende men de avonturen in Boni Bilderpost als 'Erik, der Wikinger'. Finnen lazen zijn avonturen in Maaseudun Tulevaisuus, overigens de enige taal die Erics naam veranderde, namelijk in 'Olaf'. De Noorse viking verscheen ook in Ierland, Zwitserland, Italië, Spanje ('Erik, El Hombre del Norte'), Portugal ('Erico, Homem do Norte'), Zuid-Afrika, Curaçao, Suriname, India, Argentinië en Brazilië. In Indonesië werd 'Eric' zelfs gebootlegd als ballonstrip.

Eric de Noorman: latere jaren
De strip werd zo populair dat het effectief de bestverkochte titel werd van alle Toonder-strips, wat Toonder natuurlijk niet zo fijn vond. Zijn zakenpartner Anton De Zwaan beweerde dat 'Eric' makkelijker te verkopen was in buitenlandse vertalingen. Toonder geloofde hem niet en in 1953 werd hun samenwerking stopgezet. Hoewel hij een bestseller in handen had, was ook Kresse ontevreden. Toonder leek vaak besluiteloos, nooit goed wetend wat hij met de reeks wilde. Het stoorde Kresse ook dat veel teksten zonder zijn medeweten veranderd werden. Een andere irritatie was de drukkwaliteit. In sommige kranten, zoals de Liverpool Echo, was 'Eric' haast onleesbaar. In 1951 Kresse trok Kresse al de stoute schoenen aan en solliciteerde voor een baan bij de Disney Studios door Walt Disney een brief te sturen met enkele voorbeelden van zijn strips. Alhoewel Disney dat jaar Europa en Nederland bezocht kon hij geen tijd vinden voor een afspraak. Bijgevolg bleef Kresse in Nederland en sloot hij zich uiteindelijk aan bij De Zwaans eigen agentschap Swan Features. 'Eric de Noorman' zong het nog dertien jaar uit, terwijl de reeks geschiedkundiger werd en volledig door de maestro getekend en geschreven werd. Toch was zijn samenwerking met De Zwaan niet geheel lucratief. Kresse had een contract getekend waarbij hij de helft van zijn opbrengsten met De Zwaan zou delen. De deal stipuleerde verder dat Kresse geen contact mocht hebben met Toonder of zijn medewerkers. Op 24 januari 1964 verscheen de laatste aflevering van 'Eric de Noorman' in de kranten.


'Xander' (1947).

Xander, Mahto Tonga, Olidin en andere strips
Naast 'Eric' tekende Kresse ook een strip rond Griekse mythologie, 'Xander' (1947-1948), die in Tom Poes Weekblad en het Zweedse weekblad Vecko Nytt verscheen. De teksten werden geschreven door Dirk Huizinga, een voormalig fotograaf van De Telegraaf, die ook aan 'Kappie' werkte. In datzelfde jaar illustreerde Kresse voor Tom Poes Weekblad ook 'In de Tipi' (1947), waarin het dagelijks leven van indianenstammen werd uitgelegd. Dit leidde tot zijn bekendste westernstrip 'Matho Tonga, Laatste der Mandans' (1948). Matho Tonga is de laatste van zijn indianenstam. De strip is een opmerkelijk krachtig statement tegen de mishandeling van Indianen door witte Amerikanen. Drie verhalen werden met Dick de Wilde als assistent gemaakt en voorgepubliceerd in Ons Vrije Nederland (1948-1949), De Zweep (1948-1949), Algemeen Dagblad (1950-1951), Wereldkroniek (1954) en, twee decennia later, Pep (1970). Piet Wijn leverde het tekenwerk voor stroken 125 tot 128. Alle drie de verhalen werden in 1977 door Oberon in boekvorm uitgebracht. In 1957 was Kresse ook present in Olidin, het blad van de Shell Junior Club, met de tekststrip 'Roland de Jonge Jager' (1957) en twee verhalen van de sciencefiction-strip 'Pim en de Venusman' (1959-1969).


'Pim en de Venusman'.

Illustrator
Tegen 1953 begon Kresse een tweede carrière als illustrator. Zijn eerste klant was de Haagse kinderboekenuitgever Van Goor, maar wegens creatieve geschillen eindigde de samenwerking al snel. Zijn associatie met de bladen van De Geïllustreerde Pers was duurzamer. Tussen 1953 en 1965 illustreerde Kresse vele tekstverhalen voor het weekblad Donald Duck, waaronder niet alleen nieuwe verhalen door Dick Dreux, Joop Termos en Tim Maran, maar ook klassieke verhalen van Enid Blyton ('De Vijf'), Rudyard Kipling, Jules Verne en Robert L. Stevenson. Als een van de eerste Nederlandse tekenaars, bouwde hij mee aan de stevige wortels die het Disney-blad tot op de dag van vandaag in de Nederlandse cultuur heeft. Kresse keerde in het vrolijke weekblad en leverde ook illustraties voor Revue, Margriet en Panorama. Zijn goed gedocumenteerde historische reeksen 'Van tinnen en transen' (1956), 'Avontuur en romantiek op en rond de Zuiderzee' (1957), 'Avontuur voor de boeg' (1959), 'Onze voorvaderen op vrijersvoeten' en de geschilderde centerfolds in Revue over wereldveroveraars waren hoogtepunten. Sommige werden ook in het Duitse blad Praline afgedrukt. Al even opmerkelijk waren de geschilderde covers voor Panorama, en zijn illustraties die vanaf 1955 de vakantie- en winterboeken en de Jeugdbibliotheek van Margriet sierden.


Illustraties voor het tekstfeuilleton 'Randar de Bevrijder' door Dick Dreux, die in de eerste helft van 1961 in Donald Duck liep.

Kresse bleef in de weer met illustraties voor covers en binnenwerk van boekenreeksen, zoals 'Geschiedenis en Cultuur voor Jonge Mensen' door Jaap ter Haar (1961-1967), 'Arendsoog' (1962-1980) door Paul Nowee , 'Pim Pandoer' (1963-1964) door Carel Beke, 'Winfair' (1966-1968) van Ray Franklin en de collecties 'Fibula Junior' (1969-1974) en 'Fibula, Klassieke Reeks' (1971-1972). In 1959 scheidde Kresse van zijn eerste vrouw en hertrouwde. Met zijn tweede vrouw kreeg hij drie kinderen, waarvan de eerste Eric werd genoemd. In 1984 liep ook dit huwelijk op de klippen.

Pep 
Nadat de stopzetting van 'Eric de Noorman' concludeerde Kresse dat de tijden veranderd waren. Tekststrips verloren hun populariteit ten opzichte van ballonstrips. In 1964 sloot hij zich bij het pas opgerichte blad Pep aan, een andere publicatie van De Geïllustreerde Pers, waar hij op tekst van Joop Termos verhalen tekende met 'Spin en Marty' (1964) en 'Zorro' (1964-1967), beiden gebaseerd op de populaire Disney-televisieseries. Ook voor Revue tekende Kresse een strip geïnspireerd op een televisieserie, namelijk achter verhalen van 'Bonanza' (1965-1966). De tekenaar maakte ook enkele eigen strips voor Pep, namelijk het kortverhaal 'De Boogschutter' (1965, script door Yvan Delporte) en zijn tweede bekendste reeks 'Vidocq'.

Vidocq
'Vidocq' (1965-1970) speelt zich af in de vroege 19de eeuw, toen Napoleon Europa veroverde. Het hoofdpersonage, Vidocq, is een meesterdetective die ooit in de cel heeft gezeten. Hij was gebaseerd op de legendarische Eugène François Vidocq (1775-1857), een voormalige inbreker die detective werd, en wiens memoires een grote impact hadden op detectiveliteratuur. Kresse gebruikte opnieuw uitvoerige documentatie voor zijn kleurrijke en atypische stripheld. De vermommingskampioen werd vergezeld door de sexy Annette, die zijn vrouw werd, en de roodharige dienaar Coco als komische noot. Kresse bedacht in totaal 23 korte en negen langere verhalen, waarvan vier geschreven door Tim Maran. Het personage maakte in 1986-1987 een comeback in een van Peps opvolgers, Eppo/Wordt Vervolgd. Behalve twee herplaatsingen maakte Kresse drie nieuwe verhalen, geschreven in samenwerking met Ruud Straatman.


'De Weg van de Wraak'.

Indianenreeksen
In 1968 illustreerde Kresse voor Pep verschillende verhalen door Anton Kuyten over Indianen. De eerste twee waren getiteld 'De Schreeuw van de Dondervogel' (1968-1969) en 'De Indiaanse Opperhoofden en Hun Oorlogen' (1971-1973). In hetzelfde genre hernam Kresse 'Matho Tonga', maar onder een andere titel, 'De Laatste der Mandans', gevolgd door andere strips over Indianenopperhoofden, zoals 'De wraak van Minimic' (1970), 'Mangas Colorads' (1971-1972, script door Kuyten) en 'Wetamo' (1972-1973). De tekenaar beleefde meer plezier aan het maken van deze Indianenstrips dan aan 'Eric de Noorman'. In 1972 sloot hij een overeenkomst met uitgever Casterman rond een stripreeks die het best omschreven kan worden als een Apache-familiesaga. Het volgt hen door de de eeuwen heen terwijl ze geconfronteerd worden met kolonisten. In totaal werden tien verhalen gemaakt: 'De Meesters van de Donder' (1973), 'De Kinderen van de Wind' (1973), 'De Gezellen van het Kwaad' (1974), 'De Zang van de Prairiewolven' (1974), 'De Weg van de Wraak' (1975), 'De Welp en de Wolf' (1976), 'De Gierenjagers' (1978), 'De Prijs van de Vrijheid' (1979), 'De Eer van een Krijger' (1982) en het onafgewerkte verhaal 'De Lokroep van Quivera'. De reeks kende nooit een andere titel dan de 'Indianenreeks' en was herkenbaar door het gezicht van een Indiaans opperhoofd in de rechter bovenhoek van elk boek. Hoewel de serie in meer dan tien landen werd uitgegeven, verkocht ze nooit goed. Toch won 'De Welp en de Wolf' de Prix Alfred voor "Beste Buitenlandse Strip" (1977) op het Internationale Stripfestival van Angoulême.


'De Zang van de Prairiewolven'.

Erwin de Noorman
Intussen was 'Eric de Noorman' verre van vergeten. Slechts twee jaar nadat de reeks was stopgezet ontdekte Kresse dat er nog altijd veel vraag was naar een comeback. Hij stelde dit aan de redacteuren van Pep voor, maar zij vroegen hem om met iets nieuws te komen. Ieder kreeg uiteindelijk zijn zin toen Kresse een spin-off van zijn originele reeks bedacht, 'Erwin de Noorman' (1966-1973), met Erics zoon Erwin in de hoofdrol. In tegenstelling tot het origineel was dit een ballonstrip in kleur, net als de andere Pep-strips. Erwin was ook meer een antiheld. Hij maakte vaak betreurenswaardige fouten en had last van driftbuien. In 1974 beëindigde Kresse al zijn stripactiviteiten, zowel voor Pep als Casterman. Het laatste Erwin-verhaal, 'Erwin de Ware Koning', bleef onafgewerkt.

Alain d'Arcy
Vier jaar later maakte hij wel een andere strip voor Eppo: 'Alain d'Arcy' (1977-1978), een magische geschiedenisreeks over een Tempelier.


Erwin de Noorman - 'De Bevrijding' (Pep #5, 1967).

Revival van Eric de Noorman
In 1969 probeerde uitgeverij Wolters Noordhoff de oude verhalen van 'Eric de Noorman' te herdrukken, maar gaf het halverwege op. Andere uitgevers als Tango en Skarabee overkwamen hetzelfde. In 1980 sloot stripverzamelaar Hans Matla een overeenkomst met Kresse om met zijn uitgeverij Panda alle 'Eric'-verhalen chronologisch en in luxeformaat uit te brengen. Het eerste boek verscheen in 1980, het laatste in 1991. Het originele teken- en schrijfwerk werd gerestaureerd en elke vorm van censuur verwijderd. Kresse hielp mee, maar het meeste restauratiewerk was in handen van Dick Matena, een groot fan van de reeks. In 1984 publiceerde De Spaarnestad twee vertalingen van Deense ballonstripversies van 'Eric de Noorman' als bijlagen van Panorama. Twee jaar later verscheen het 'Eric'-verhaal 'De Vrouw in het Blauw' (1986) in het boek Wordt Vervolgd Presenteert. Deze uitgaven werden later ook aan Panda's prestigieuze collectie toegevoegd. In 1988 hertekende Kresse het oudere 'Eric'-verhaal, 'De Geschiedenis van Bor Khan' en herwerkte het tot een ballonstrip. Het idee kwam van Thom Roep die net hetzelfde had gedaan met de 'Bruintje Beer' verhalen van Alfred Bestall voor Donald Duck. Het bewerkte verhaal liep in Sjors & Sjimmie Stripblad. Voor het vervolg, 'Svitjolds Offer', werd ook een remake gepland, maar dit project strandde na slechts 11 pagina's.


'De Geschiedenis van Bor Khan', ballonstripversie.

Erkenning
In 1976 won Hans G. Kresse de Stripschapprijs voor zijn hele oeuvre. 'De Welp en de Wolf' uit zijn 'Indianenreeks' won de Prix Alfred voor "Beste Buitenlandse Stripboek" (1977) op het Internationale Stripfestival van Angoulême. In 1997 werd Kresse postuum benoemd tot erelid van de Nederlandse Illustratoren Club (NIC).

Laatste jaren en dood
In 1982 hield Kresse opnieuw tijdelijk op met werken omdat zijn zicht achteruit ging. Een operatie loste het probleem deels op, maar hij werd nog steeds gehinderd tijdens het tekenen. Af en toe leverde hij illustraties voor uitgeverij Westfriesland en tussen 1982 en 1988 opnieuw voor Donald Duck. In 1987 publiceerde Kresse de jeugdroman 'De Kleine Heldin', die hij aan Marten Toonder opdroeg. Zijn laatste nieuwe creatie was een stripreeks over Djenghis Khan, maar slechts 17 pagina's waren afgewerkt toen hij op 12 maart 1992 aan longkanker overleed. Zijn dood was in heel Nederland voorpaginanieuws.


Illustratie voor het verhaal 'De witte hengst Moina' door Marja Schilling (Donald Duck 24, 1983).

Nalatenschap en invloed
Hans G. Kresse stond bekend als een nederig en ietwat knorrige man die zichzelf niet buitengewoon begaafd vond. Volgens hem kon "iedereen zijn talent leren" en omschreef hij zichzelf op legendarische wijze: “Ik ben maar een plaatjespoeper". Hij was geen sociaal mens en bleef liever thuis dan dat hij zijn fans, de pers of andere mensen ontmoette. Toch leefde hij lang genoeg om de waardering te krijgen die vele andere veteranen nooit kregen. Twee jaar voor zijn dood werd een officiële fanclub opgericht, de Kressekring (1990), met eigen fanblad: Viking. In 1997 werd de club met medewerking van zijn kinderen en kleinkinderen omgezet in de Stichting Hans G. Kresse. De stichting bewaakt Kresse's nalatenschap en voorziet haar sponsors met nieuwsbrieven en herdrukken van obscure en voorheen onuitgegeven werken. Sinds 2006 organiseert een groep van vijftig à zestig Kressefans jaarlijkse bijeenkomsten waarbij het werk en leven van de meester bestudeerd en bediscussieerd worden. Tot de kernleden behoren Kresse-experts als Eric Planting, Rob van Eijck, Hans Matla, Julius de Goede en Rob Aalpol. Frits van der Linden opende op 29 mei 2010 zijn eigen Kresse Museum in Gouda. Het Stripmuseum in Groningen stelde in de permanente tentoonstelling ook veel Kresse-materiaal tentoon. Door deze privé-initiatieven beschouwde de Stichting Hans G. Kresse haar hoofddoel als vervuld, en kondigde in juli 2018 de opheffing aan. De laatste nieuwsbrief verscheen in november 2018. Kresse's manuscipten en gepubliceerde werken zijn overgeheveld naar het Stripdocumentatiecentrum van de Universiteit van Amsterdam, terwijl de persoonlijke correspondentie van de auteur door de familie bewaard blijft.


Illustratie voor de boekenreeks 'Geschiedenis en Cultuur voor Jonge Mensen' door Jaap ter Haar.

Zijn werk was een grote invloed op vele Europese tekenaars die binnen het realistische genre werkten: Jijé, Willy Vandersteen, Karel Verschuere, Frank Sels, Bob de Moor, Rik Clément, Martin Lodewijk, Jan Kruis, Piet Wijn, Dick Matena, Theo van den Boogaard, Jean Giraud, René Follet, Grzegorz Rosinski, Claus Scholz en William Vance. Willy Vandersteen en Karel Verschuere's 'De Rode Ridder' en Rik Cléments 'Reinhart de Eenzame Ridder' imiteerden geregeld zijn grafische stijl, soms door rechtstreeks poses en personages te kopiëren. Cléments Reinhart de Ridder was bijvoorbeeld overduidelijk naar Eric gemodelleerd. Een andere grote fan van Kresse is Dick Matena, die ooit voor Playboy een erotische parodie op 'Eric de Noorman' tekende. In de stripheldenbuurt in Almere zijn sinds 2003 drie straten naar personages van Hans G. Kresse vernoemd, namelijk de Matho Tongastraat, de Winonahstraat en Eric de Noormanhof. Er is ook een straat voor de tekenaar zelf: Hans G. Kresseweg.

Lambiek zal Hans Kresse altijd dankbaar blijven voor zijn illustratie van de letter "E" in de encyclopedie, 'Wordt Vervolgd – Stripleksikon der Lage Landen' (1979).

Boeken over H.G. Kresse
Dick Matena publiceerde een persoonlijke reflectie op Kresse's leven en werk, vanzelfsprekend in oblongformaat, getiteld: 'Herinneringen Aan Een Mythe. Hans G. Kresse's 'Eric de Noorman' (1998). Het is uitgebreidere versie van een eerder gepubliceerd artikel van Matena, namelijk 'Mijmeringen Bij Een Oeuvre'. Dit warm aanbevolen boek heeft een voorwoord van Marten Toonder. In 2007 publiceerde Rob van Eijck het al even inzichtrijke boekje 'Eric de Noorman Opnieuw Bekeken. 60 Jaar Nederland's Grootste Stripheld', met een voorwoord van Dick Matena. Het biedt een overzicht van Kresse's hele leven en carrière, andermaal in oblongformaat. Wim Hazeu, die ook de uitstekende biografie over Marten Toonder uit 2018 schreef, heeft een biografie over H.G. Kresse aangekondigd.

original by hans Kresse
Origineel tekenwerk door Hans G. Kresse.

Engelse biografie in de Comiclopedia

Register van tekenaars

Externe link:
www.ericdenoorman.nl

Hans G. Kresse en Kees Kousemaker
Hans G. Kresse en Kees Kousemaker

(Tekst door Kjell Knudde.)