Stripgeschiedenis

Peter Pontiac

Frankie Lee, by Peter Pontiac 1978
Frankie Lee in Quo Vadis? (1978), een verhaal voor God, Willem de Ridders "geluidstijdschrift voor de niet-doven". Het is ook in El Vibora gepubliceerd.

Peter Pontiac wordt algemeen beschouwd als de "peetvader" van de Nederlandse undergroundstrip. Hij raakte eind jaren 1960 bekend binnen de hippiebeweging en was samen met Joost Swarte en Evert Geradts één van de invloedrijkste Nederlandse undergroundstriptekenaars van de jaren 1970. Ook in de decennia erna bleef hij een prominent tekenaar en ontwerper in alternatieve kringen. Alhoewel hij wijd en zijd geprezen is vanwege zijn rauwe, persoonlijke en zeer gedetailleerde tekenwerk is Pontiac altijd in de marge van subculturen gebleven en werd hij nooit echt bekend bij een mainstream publiek. Hij was de eerste Nederlander die autobiografische strips tekende en maakte daarmee de weg vrij voor latere artiesten als Gleever, Barbara Stok en Michiel van de Pol. Pontiac tekende niet alleen verhalen over seks, drugs en rock 'n' roll, maar ondervond deze levensstijl aan de lijve. Veel van zijn strips analyseerden gewichtige thema's zoals zijn heroïneverslaving ('The Amsterdam Connection', 1977) en zijn vaders oorlogsverleden als een nazicollaboratoreur en SS-journalist ('Kraut', 2000). Pontiac staat ook bekend om zijn illustraties voor muziekbladen, posters en albumhoezen.

Miss Holland, by Peter Pontiac
Miss Holland, illustratie voor Tutti Frutti (1994)

Petrus Josef Gerardus Pollmann werd in 1951 in Beverwijk geboren, maar groeide op in Haarlem, waar zijn vader als journalist voor de vrouwenbladen van uitgeverij De Spaarnestad werkte. Pontiac was een rebelse tiener, deels vanwege de moeilijke relatie met zijn vader. Hij schilderde zijn hele kamer zwart, kocht veel rockplaten en experimenteerde met marihuana, LSD, peyote, opium en heroïne. Nadat hij van school gestuurd was sloot hij zich aan bij een hippiecommune in Leiden. Hij hield van rockmuziek en undergroundstrips, vooral van het werk van Robert Crumb. Toch verbleef hij maar twee maanden op de Vrije Academie van Den Haag en ontwikkelde hierna zijn talent geheel door zelfstudie. Hij genoot ervan rijkelijk gedetailleerde illustraties te maken. In een interview met Michael Minneboo in 2011 gaf Pontiac toe dat hij dit voornamelijk deed om hij last had van "horror vacui" ("angst voor lege ruimtes in tekeningen"). Hij nam aan dat als hij maar zoveel mogelijk dingen in zijn tekeningen propte, het publiek er altijd wel iets uit kon halen wat het waardeerde. Tijdens zijn communeperiode publiceerde hij zijn eerste tekeningen voor 'The Living Guide to Amsterdam' (1960), een boekje dat door de Headshop was uitgegeven.

Zijn geïllustreerde covers voor bootleg-liedjestekstboeken van Bob Dylan, Jimi Hendrix, Frank Zappa, Country Joe & The Fish en The Rolling Stones brachten hem onder de aandacht van het Amerikaanse muziekblad Rolling Stone en de Haarlemmer Joost Swarte. Zo publiceerde hij al gauw in de Nederlandse undergroundbladen Modern Papier en later Tante Leny Presenteert. Hij maakte zijn vroegste werk onder de naam "Holy Cat", wat hij symboliseerde door een vignet te tekenen van een kat met een uitroepteken tussen haar oren. Hij gebruikte rond deze periode voor het eerst het pseudoniem "Pontiac" als een middelste naam, verwijzend naar het klassieke Amerikaanse automerk. In 1973 ontdekte hij dat Pontiac ook de naam was van een Indiaans opperhoofd dat zich tot zijn laatste adem tegen blanke overheersing had verzet. Hierop maakte hij van Pontiac zijn permanente schuilnaam.

The Amsterdam Connection by Peter Pontiac
The Amsterdam Connection, uit Gummi #3 (1977)

Van alle artiesten die in Tante Leny publiceerden was Pontiac het meest sociaal bewust. Ook was zijn werk het diepst in de Amerikaanse undergroundcultuur gegrond, vooral de strips van Robert Crumb en Rick Griffin. Pontiac leverde ook bijdragen aan internationaal georiënteerde publicaties zoals Cocktail Comix (1973), onder redactie van Joost Swarte, en Wipe Out Comics (1973, 1975), een publicatie van de Real Free Press van Roland Olaf Stoop. Algauw werd zijn werk opgepikt door El Vibora in Spanje en de Amerikaanse bladen Anarchy Comix en Mondo Snarfo. Pontiac aarzelde niet om strips over zijn eigen leven te tekenen, waaronder ook zijn drugservaringen, in kortverhalen als 'The Amsterdam Connection' (1977) dat in het derde nummer van Gummi Magazine verscheen. Behalve Pontiac zelf had het verhaal ook een cameo van uitgever Ger van Wulften en Pontiacs toenmalige vriendin Rita Dolce Vita. Een oudere strip, 'Mixed Up Memory Mamba', ging ook over zijn drugsgebruik. Ze werden voor een Amerikaanse uitgever gemaakt die helaas spoorloos verdween en de pagina's met zich meenam.


Illustratie voor een van Willem de Ridders reisverhalen uit de VS, gepubliceerd in Vrij Nederland in 1974-1975

Tijdens de jaren 1970 en 1980 werkte Pontiac aan vele projecten voor Willem de Ridder, stichter van culturele en subversieve bladen als Hitweek, Aloha, Suck en The Fanatic, evenals poptempels als Paradiso, Fantasia en De Melkweg. Eén van Pontiacs eerste werken voor De Ridder was de cover van een boek dat naar aanleiding van het Wet Dreams festival werd uitgegeven, in samenwerking met het undergroundseksblad Suck. Ondanks het feit dat hij in een hippiecommune had geleefd had Pontiac toch moeite met de wijze waarop het blad openlijk seks met meerdere partners promootte. Hij drukte dit uit in het tweede nummer van zijn 'Pontiac Review', wat aan zijn werk voor De Ridder was gewijd. De kunstenaar voelde zich veel meer op zijn gemak wanneer hij tekeningen kon maken rond muziekgerelateerde projecten, zoals zijn illustraties van grootse momenten uit de rockgeschiedenis voor het alternatieve muziekblad Aloha. Hij bleef illustraties leveren voor boeken, platen en flyers, evenals cassettes die via De Ridder's Radio Art-label werden uitgegeven tijdens de jaren 1980. Pontiac nam ook deel aan Willem De Ridders verhalen over 'Prins Wilhelmus' voor VPRO radio, samen met Elsa Del Puerto, Rita Dolce Vita en Hans Claessen. Hij illustreerde verder gedichten en verhalen voor De Ridders "partner-in-crime" William Levy, een Amerikaans dichter die in Amsterdam woonde. Deze verhalen werden in De Ridder en Levy's tijdschrift The Fanatic (1976) gepubliceerd en in boekjes als 'Jeremiad Chants' (1979) en 'The Jewboy' (1983). Pontiac maakte illustraties en stripverhalen voor een overzichtsboek rond De Ridders vele culturele activiteiten dat 'De Ridder Retropectief' heette en in 1983 gepubliceerd werd n.a.v. een tentoonstelling over deze artiest/ondernemer in het Groninger Museum. Ondertussen tekende Pontiac ook portretten van rocklegendes voor het meer mainstream muziekblad Muziek Express, dat door VNU werd uitgegeven.


Pontiac gebruikte zijn door punk geïnspireerde stijl om te ageren tegen het opkomende geweld van de krakersbeweging. Deze tekening protesteert tegen het gebruik van bommen.

Terwijl het hippietijdperk langzaam maar zeker uitdoofde raakte Pontiac betrokken bij de punk- en krakersbeweging van de late jaren 1970 en vroege jaren 1980. Zijn kunst begon punkelementen zoals foto- en tekstcollages te absorberen, terwijl zijn figuurtje Gaga een punkicoon werd. Toch gebruikte Pontiac dit personage ook om commentaar te leveren op de tegenstrijdigheden en het militante karakter van de punk- en krakersbeweging. Pontiac herinnerde zich dat de eerste aflevering ontstond op 30 April 1980, de dag dat de krakersrellen in Amsterdam plaatsvonden uit protest tegen de troonsbestijging van koningin Beatrix. Zelf zat hij toen thuis in zijn huisje op De Veluwe. Pontiac gebruikte de antiheld Gaga als een alter ego, die algauw gezelschap kreeg van zijn vriendin Gigi en een sidekick die Gogo heette. Gaga verscheen op de hoes van het punkalbum 'Wielingen Walgt' (1981) door The Nitwitz & The Götterflies en had tijdens de jaren 1980 enkele cameo's in punkbladen. In het alternatieve stripblad Talent verschenen er ook stripverhalen met de personages. Een lange aflevering, de post-apocalyptische punkfabel 'Requiem Fortissimo' (1988), werd in Wordt Vervolgd geserialiseerd en in 1990 door Casterman in boekvorm gepubliceerd. Het personage werd in Pontiacs eerste lange stripalbum van kant gemaakt, maar keerde in 2010 terug in de glossy Gaga (met als ondertitel 'Glossy-mijne!').


Gaga - Requiem Fortissimo

Halverwege de jaren 1980, toen Pontiac 32 was, kickte hij van de heroïne af omdat hij een dochtertje kreeg. Hij streek neer in Bussum, waar hij de buurman was van Kees Kousemaker, eigenaar van de Amsterdamse stripwinkel Lambiek. Hij werd onze huistekenaar en voorzag de winkel van veel promotioneel tekenwerk. In 1979 had hij al een tekening gemaakt rond Lambieks verhuizing van Kerkstraat 104 naar 78 (de tekening werd in 2010 hergebruikt voor Kousemakers rouwkaart). In november 1987 organiseerde Galerie Lambiek Pontiacs eerste grote expositie, bestaande uit een verzameling van levensgrote bordkartonnen figuren. Datzelfde jaar had hij ook soortgelijke constructies gemaakt voor Willem de Ridders interactieve attractie 'Walk-o-rama', waarbij mensen via een walkman door een doolhof werden gegidst. Dit reizende festival stelde voor het eerst tentoon in Den Bosch en daarna in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag. Pontiacs indrukwekkendste werken voor Lambiek zijn het overzicht van de winkel in Kerkstraat 78 en de zeer gedetailleerde kaart van Amsterdam waarmee toeristen naar de winkel worden gegidst, beiden uit 1989. In 1992 maakte hij een al even gedetailleerde kaart van "junkie-Amsterdam" voor Mainline, het tijdschrift voor verslaafden in A'dam.

Lambiek at Kerkstraat 78
Plattegrond van de Lambiek-winkel op Kerkstraat 78 in 1989. Achter de kassa zien we eigenaar Kees Kousemaker and verkoper Klaas Knol.

Vanaf de jaren 1980 was Pontiac ook actief als illustrator voor meer commerciële klanten. Tijdens dat decennium en ook nadien tijdens de jaren 1990 en 2000 verscheen zijn werk in tijschriften als Oor, Vrij Nederland, Rood (het partijblad van de PvdA), Elsevier, De Filmkrant, Crimelink, De Gids, VPRO-gids en het trashcountrypunkbluesblad Muleskinner. Hij maakte de illustraties voor Roel Bentz van den Berg's artikelen over popgeschiedenis in het NRC Handelsblad, die later door uitgeverij Meulenhoff werden verzameld in het boek 'De Luchtgitaar' (1994). Tussen 1995 en 2001 maakte Pontiac dagelijks een illustratie bij de weersvoorspellingen in Het Algemeen Dagblad onder de titel 'Weermuis'. Hij ontwierp ook albumhoezen voor diverse rockartiesten, zoals B.G.K. ('Nothing Can Go Wrong', 1986), Boulevard of Broken Dreams ('Dancing With Tears In My Eyes' (1987), 'It's Too Soon To Know (1987)), Paradogs ('Here comes Joey' (1990), 'Lost in Music' (1990)), The Schizofrenics ('Hairy Men Are Yummy', 1996), The Bouncers ('Iwi Iwa Yocai !?' (1997), Dead Moon ('Hard Wired in Ljubljana', 1997) en de uitvouwbare hoes van Lou Reed's 'Take No Prisoners' (1978). Hij ontwierp ook de hoes voor het cassettebandje 'Val Dood!' (1987), waarop schrijver Herman Brusselmans zijn columns voorleest.


Peter Pontiac ontmoet een van zijn weermuizen (Algemeen Dagblad, 1994)

Tussen 1990 en 2004 werd Pontiacs oeuvre grotendeels verzameld in zeven nummers van zijn eigen Pontiac Review, uitgegeven door Het Raadsel/Oog & Blik. Het bevat veel van zijn oudere werk, per thema georganiseerd en gedateerd. Nieuw materiaal verscheen in de strip 'Lost in the Lowlands' die in 1996 te koop werd aangeboden tijdens het Lowlands Festival. Het jaar erop publiceerde Lambiek 'The Quick Brown Fax', een verzameling van zijn geïllustreerde correspondentie met vriend en collega Typex. Pontiac was ook verantwoordelijk voor de handlettering van het eerste deel van de Nederlandse vertaling van Art Spiegelmans 'Maus' (Oog & Blik, 1994, het tweede deel werd door Roel Smit geletterd) en Robert Crumbs 'Kafka' (Oog & Blik, 2005) en - samen met Filip Fermin - de lettering van de fonetische vertaalde versie van Will Eisner's 'A Contract with God' (Lambiek, 1984) in het Jiddisch.

Kraut by Peter Pontiac
Kraut

Terwijl hij Spiegelmans aangrijpende stripverhaal over het Holocaustverleden van zijn ouders letterde, besloot Pontiac ook een stripalbum over zijn eigen vader te maken. Joop Pollmann (1922-1978) was een voormalig lid van de Waffen-SS en een ex-Oostfronter die vijf jaar cel had gekregen wegens hoogverraad. Hij bleef nadien veel van zijn pro-nazi standpunten behouden. Hierom wou Pontiac jarenlang niets met zijn vader te maken hebben. In 1978 verdween vader Pollmann spoorloos op Curaçao. Naarmate Pontiac ouder en wijzer werd kreeg hij spijt dat hij zijn vader nooit naar zijn duistere verleden gevraagd had. De kunstenaar spendeerde eind jaren '90 veel van zijn tijd met het werken aan 'Kraut', een grafische roman die als een handgeschreven geïllustreerde brief aan zijn vader gepresenteerd werd. Het was emotioneel een zware ervaring. Pontiac bestudeerde zijn vaders correspondentie, praatte met vroegere collega's en vrienden en herbezocht locaties uit zijn verleden. Pas nadat het boek klaar was verklaarde Pontiac zijn vader eindelijk écht te kennen, wat ook door zijn familieleden bevestigd werd nadat ze het hadden gelezen. Lovend commentaar van de Amerikaanse striplegende Will Eisner stak hem ook een hart onder de riem. Toen 'Kraut' in december 2000 via uitgeverij Podium eindelijk beschikbaar was prezen critici en lezers het als een meesterwerk. In de jaren nadien ontdekte Pontiac nieuwe documenten die een nieuw licht over zijn vader wierpen. Hij ontdekte ook extra informatie toen hij de Daaibooi baai in Curaçao bezocht, waar hij filmde voor Chris Kijne's documentaire (2003) over leven en werk van de tekenaar. In 2005 verscheen een geüpdatete versie van 'Kraut', gevolgd door een definitieve heruitgave in 2011.

Crazy Musicians by Peter Pontiac
'Mad Musicians', illustratie voor Oor uit 1994 met verschillende "gekken" uit de muziekwereld.

Tijdens de jaren 2000 werkte Pontiac samen met collega-grafisch ontwerper Juice en rapper Def P, beter bekend als de frontzanger van de hiphopband Osdorp Posse. Samen maakten ze vijf triptieken rond het thema "Planeten". Eén hiervan, 'Planet Mokum', werd binnen in de hoes van het Osdorp Posse-album 'Tegenstrijd' (2003) gebruikt. Pontiac werkte ook samen met Roel Smit voor het Haarlemse poppodium Patronaat. Hij bleef voor een veelzijdig aantal projecten strips maken, waaronder het literaire stripblad Eisner (2009), het alternatieve stripblad Zone 5300 en small press initiatieven als De Legendariese Lijn (2006) en Menno Kooistra's Nederlanders horrorbundel 'Bloeddorst' (2007). Hij tekende een strip-interpretatie van Raymond van het Groenewouds 'Meisjes' voor de anthologie 'Strips in Stereo' (2006) en van Tommy Wieringa's "coming-of-age" roman 'Joe Speedboot' voor Mooi Is Dat! (2011). Hij leverde ook striptekeningen voor 'Roes', een boek over drugs, geschreven door Hafid Bouazza (Prometheus, 2005).

Styx by Peter Pontiac
Styx

In 2010 ontdekte Pontiac dat hij aan hepatitis B leed, waarschijnlijk het gevolg van zijn vroegere heroïneverslaving. Alsof dit nog niet erg genoeg was leed hij ook nog aan levercirrose. Hij verwerkte dit tragische nieuws in een grafische roman, 'STYX of de zesplankenkoorts', waarin hij zijn snel naderende einde behandelde. Het boek bevatte zwarte humor, zoals Pontiac die armdrukt met Magere Hein, maar vatte ook zijn gevoelens over sterven samen. Eén hoofdstuk blikte ook terug op zijn moeders' dood, evenals het overlijden van zijn vrienden Flip Fermin en Kees Kousemaker, die ook aan leverziektes bezweken. Pontiac had in september 2014 een tachtigtal pagina's af. In november wist hij genoeg geld in te zamelen om het boek via crowdfunding af te werken. Helaas was Pontiac tegen die tijd al te ziek. Hij besloot uiteindelijk geen transplantatie te ondergaan en zette zijn behandeling stop. Zijn het laatste dagen in een ziekenhuis doorbrengen was het hem simpelweg niet waard, ook al leefde hij dan een klein beetje langer. Op 20 januari 2015 overleed Peter Pontiac. Nederland verloor één van haar grootste striptekenaars die doorheen de jaren ook veel betekend heeft voor Lambiek. Het boek 'STYX' werd in 2016 postuum gepubliceerd.


Kees Kousemaker en Peter Pontiac op de opening van de Charles Burns expositie in Galerie Lambiek (november 1998)

In 1997 ontving Pontiac de Stripschapprijs voor zijn volledige oeuvre, een jaar later gevolgd door de Professor Pi Illustratieprijs voor zijn boek 'De Pen en het Zwaard'. In 2011 won hij de Marten Toonderprijs en publiceerde hij 'Pontiac Rhythm', een groot boek dat al zijn overige stripwerk verzamelde. In mei 1990 werd zijn leven in een eerste tv-documentaire behandeld, 'De Wereld van Peter Pontiac', in 2003 gevolgd door Chris Kijne's documentaire over leven en werk van de artiest. Peter Pontiac was een invloed op striptekenaars als Eric Schreurs, Erik Kriek, Bert Bleek, Pic, Yiri T., Kohl, Marcel de Jong en Roel Smit. Zijn broer Joost Pollmann (1957) is strippublicist voor bladen als De Volkskrant en was vele jaren de drijvende kracht achter de Haarlemse Stripdagen.

Drawing for the VPRO
Coverillustratie voor de VPRO Gids (2002)

Engelse biografie in de Comiclopedia

Register van tekenaars

www.peterpontiac.nl